|
RAFFINEREN VAN SUIKER |
Archiefbibliotheek Dordrecht:
Titel De Suikerraffinadeur; of: Volledige beschrijving van het suiker,
desselfs aankweking, bereiding en verzending, met de opgaave der verschillende
bewerking, molens, fabrieken enz. in en buiten Europa
Auteur J.H. Reisig
Impressum Dordrecht : A. Blussé en Zoon, 1793
Collatie XII 216 p. : 10 gravures ; 23 cm
Bijzonderheden Volledige beschrijving van alle konsten, ambachten,
handwerken, fabrieken, trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen, enz. :
ten deele overgenomen uit de beroemdste buitenlandsche werken; elfde stuk:
de suikerraffinadeur. - Voorin opdracht van C. Loosjes Overbeek aan het
gezelschap De Struik wordt eindelijk een Boom te Zutphen.
boeknummer 26918
Codes 10E
Titel Het geslacht Backer : nakomelingen van Hilmar Backer
Auteur Johannes Petrus Backer, Jan Dam Backer, Harm Jan Luth
Impressum Dordrecht : Stichting Familie Backer, 1990
Collatie 90 p. : foto's ; 20 cm
Bijzonderheden Met registers.
Betreft de nakomelingen van Hilmar Backer, die zich in 1725 vanuit Duitsland
als suikerraffinadeur te Dordrecht vestigde.
Hierbij o.a. de bekende lithograaf Hilmar Johannes Backer (1804-1845). Bevat ook
gegevens over het familiegraf op de Algemene Begraafplaats te Dubbeldam.
boeknummer 25348
Codes 15A
ONLINE
(bij google books)
Technologische handboek, of beschrijving van het gebruik, hetwelk de mensch
van de voortbrengselen der natuur maakt door J. A. Uikens, A.L.M. Phil.
Doct. en leeraar der Hervormden te Eenrum (1813)
[pagina 39]
VIERDE HOOFDDEEL.
Over het rafineren van Suiker.
Onder de verschillende voortbrengaelen des Groeijenden Rijks, die, door eene
werktuiglijke of scheidkundige inrigting, ten onzen nutte ftrekken, behoort
bijzonder de Suikerstof. De Suikerstof wordt bij zeer vele gewassen
gevonden, doch steeds met de slijm , het zuur, het zetmeel, de kleur stof en de
extractiestof dezer gewassen verbonden , waar van dezelve, of geheel niet, of
dikwijls zeer bezwaarlijk, gescheiden kan worden (*). Het Suikerriet, het welk
ik, in de Natuurlijke Historie, D. II. beschreven heb, en voornamelijk
voortgeteeld wordt in Surinamen, Essequtbo , Demerarij, St. Domingo, Port au
Prince, Martnique, en vele andere plaatsen van Amerika, die tusschen de
Keerkringen gelegen zijn, ook in Asie, en in eenige weinige gedeelten van
Europa, als in Andalusien en op Siciliën (+), is bijzonder dat gewas, het welke
de meeste Suikerstof oplevert, en door den algoeden Schepper verordend schijnt,
om ons met dit edele voortbrengsel te voorzien.
De Suikerstof wordt, ook in dit riet, gelijk meest altijd, in eene
waterachtige, vloeibare gedaan-
(*) A. IJpeij, Scheidkunde. D. III. bL 480
(+) Volledige Beschrijvlng van Konsten.Ambagten, enz. St. XI. De
Suikerraffinadeur. bl. 3.
[pagina 40]
daante aangetroffen; en daar dat zoete vocht, betwelke, bij eene gepaste
werktuiglijke inrigting, door kneuzing en uitpersing, van het gesnedene riet
verkregen wordt, zeer spoedig tot gisting overgaat, moet hetzelve ten spoedigsten
bewerkt, aanvankelijk gezuiverd en tot eene drooge zelfstandigheid gebragt
worden: het welk, hierom, op de plaatsen zelve geschiedt, alwaar het Suikerriet
geteeld wordt.
Daar de verandering, welke het uitgeperste nat des Suikerriets ondergaan moet,
om zuivere, blanke, ongekleurde, en, volgens de eigenschappen aller zouten,
gekristalliseerde Suiker op te leveren, zoodanig eene scheidkundige bewerking
is, dat dezelve veelvuldigen arbeid, onderscheidene middelen, en grooten toestel
vordert, is het allezins noodig, in eene beschrijving hiervan, die zich, door
kortheid en duidelijkheid tevens, zal moeten aanbevelen, eene geleidelijke orde
te houden, en, terftond, het doel te doen kennen, het welke men,met alle
onderfcheidene bewerkingen, tracht te bereiken, als waar door men niet slechts
de middelen van bewerking ontwaar wordt, maar ook tevens het waardoor en het
waarom inziet: al hetwelke, voor onzen onderzoekenden geest, van zoo veel belang
is (*).
De eerste vraag, derhalve, is: Wat is Suiker-
(*) Behalve aan eene zeer ondoelmatige orde, is het ook
voomamelijk aan dit gebrek toeteschrljven, dat de Suikerraffinadeur, in de Voll.
Beschr. van Kunsten en Ambachten, slechts van den Suikerraffinadeur verstaan zal
kunnen worden, hoe uitvoerig, en door hoe vele en goede afbeeldingen
opgehelderd, dese Verhandeling ook anders zijn moge.
[pagina 41]
rafineren? en het antwoord moet zijn: de Suiker
van te overvloedig zuur, van slijm, van kleurstof, en van andere toevallig
bijkomende vreemde deelen, te ontdoen, en alzoo in eenen zuiveren slaat
voorttebrengen. Om deze vreemde deelen van de Suiker aftescheiden,
maakt men gebruik van kalk water, eiwit en ossebloed. Het kalkwater dient
voornamelijk, om het te overvloedige zuur, het welk de fuikerzetting of
kristallifatie zeer belet, wegtenemen. De kalk vereenigt zich dan met dit zuur,
en valt, als onsmeltbaar suiker-selenit , naar beneden, of drijft, als schuim,
boven, en kan dus gemakkelijk weggenomen worden (*). Slijm, kleurstof,
extractiefstof moeten op eene andere wijze, aan het suikernat, of ruwe Suiker,
ontnomen worden; daartoe maakt men, van een, zich met deze vreemde deelen
verbindend , en flollend middel, gebruik, en, wel bijzonder , van ossebloed en
eiwit, terwijl ook melk, tot dat einde, voorgeflagen is (+).
Het gebruik van eiwit is van veel vroegeren oorsprong dan dat van bloed. Ook kan
het bloed alleen door zijn, bij kookhitte slollend, gedeelte eenige nuttige
uitwerking te wege brengen; doch, wanneer volkomen versch ossenbloed, en niet
dat van andere dieren, het welk van eenen vetteren aard is, gebruikt wordt, doet
het, door meer te schuimen, eene betere uitwerking dan eiwit; en er zou geene
reden zijn, om het gebruik van bloed zoo streng te verbieden, als in de Jaren
1704, i/H» 17*1 en 1733, door den Magi-
(*) Volgens Bergman, Beckmann, Handb. der Techn. f. 510. N. I
(+) Poppe, Handb. der Techit. f. 154.
[pagina 42]
straat van Amsterdam, geschied is, indien men niet dikwijls bedorven bloed
genomen had, hetwelke zich van de Suiker niet weer volkomen laat afscheiden,
maar oorzaak is, dat de Suiker, door roode vlekken, onaanzienlijk voor het oog,
walglijk voor den smaak wordt, en zelfs aan de werking van maden blootgesteld is
(*). Tot de blankste Suiker worden steeds eijeren gebruikt, en wel het wit
daarvan,om alle kleurgeving te voorkomen.
Ofschoon nu deze bewerking van de Suiker wel op scheidkundige gronden sleunt,
vordert, echter , dezelve geenszins zulk eene diepe kennis in deze wetenschap,
dat men daar door regt zou hebben, den laten oorsprong der
Suikerraffinaderij te verklaren, maar, veel meer, denken moet aan het zoo
lang onbekend geblevene der plaatsen, alwaar het suikerriet oorspronkelijk
gevonden wordt. De kunst, om Suiker te koken, schijnt eerst in het midden der
vijftiende eeuw ontdekt te zijn; en de kunst van rafinering is, nog veel later,
door eenen Venetiaan, uitgeven den, die er zich eenen rijkdom van 100,000 kronen
door verworven heeft (+). Voor ruim eene halve eeuw was, echter, deze kunst nog
zeer onvolkomen, en het getal der Suikerrafinaderijen in Europa zeer klein, daar
Rusland en Braband toen nog niet een,
(*) Beckmann, Anleit. zur Tcchn. f. 511. De
Suikerraffinadeur, bl. 94
(+) Beckmann, in Comm. Phijf. Societ. Gott. V. pag
56 /Jnleit. iur Techn. f. 505. Volgens den Sui kerraffinadeur, bl. 1-72. zou men
moeten denken, dat de kunst van suikerrafineren van eenen veel vroegeren oorsprong
ware, en daar door, in zijnen oorsprong zelve onbekend zijn.
[pagina 43]
Duitschland en Engeland zeer weinige, en Amslerdam slechts vijf van deze
fabrieken bezat; doch, sedert dien tijd, is het getal in Engeland legio
geworden; in Duitschland, voornamelijk in Hlamburg, telt men meer dan
tweehonderd rafinadeurs. Zelfs de Russen hebben zich toegelegd om fabrieken
aanteleggen, te Petersburg zijn meer dan 80 rafinaderijen, en wel zoo
uitgebreid, dat twee groote Hollandsche fabrieken naauwelijks eene Peterburgsche
uitmaken. Amsterdam telde er meer dan 120; te Rotterdam waren er, voor eenige
jaren, 40 aan het werk; ook elders in ons Vaderland treft men
Suikerrafinaderijen aan (*).
Doch, in welk een kwijnenden staat bevonden zich niet, reeds eenen geruimen
tijd, ook deze onze Vaderlandsche fabrieken! en hoe velen derzelven thans geheel
stilstaan, is eenen ieder bekend.
Het uit riet geperste Suikersap ondergaat, in de Indièn, eene aanvankelijke
rafinering, die zich, echter, meestal, niet verder uitstrekt, dan om dit vocht
de grofste onzuiverheden te ontnemen, en, door uitkoken, genoegzaam te
verdikken, om, bij verkoeling, tot eene drooge zelfstandigheid , die tot
verzending gefchikt is, te kunnen overgaan.
Men heeft, in de rafinaderijen in Indien, onderscheidene ketels, meestal vijf.
In den eersten ketel doet men het nat, brengt het nabij het koken, werpt er
eenig kalk- en aschloogwater in, en schuimt de menigvuldige onzuiverheid af,
die, als schuim, opkomt. Uit dezen eersten ketel brengt men het vocht, onder doorklenzing,
door een
(*) De Suikcrraffinadeur, bl. 52;
[pagina 44]
laten, welk in eene mand gelegd is (*), in den tweeden ketel over; doet het, ook
hier,nabij het koken komen , onder bijvoeging van kalk- en loogwater, schuimt
het weder af, en vaart, op dezelfde wijze, voort, tot aan den vijfden of
laatften ketel , die niet meer ter zuivering, maar ter verdikking van het vocht
dient.
In dezen ketel wordt het lijvige nat, door een groot vuur, aan sterk koken
gebragt: en, na dat deze siroop genoegzaam verdikt is, wordt zij ia eene
koelpan uirgelloit} uit deze, met bekkens, in een groot houten vat gebragt, en
hierin zoo ver verkoeld zijnde, dat men den vinger er in houden kan , weder in
vaten gedaan, die onder in den bodem eenige gaten hebben, welke losjes, met
groen suikerriet, zijn gestopt, op dat de overblijvende siroop kan uitlekken in
eene goot, boven welke deze vaten zijn geplaatst, en de suiker in eene droge
zelfstandigheid terugblijven. Deze vaten, met gestolde suiker, na eenige dagen
geftaan te hebben, worden daarop toegekuipt; zij zijn tusfchen de 700 en de 1000
ponden in Surinamen, en van de 1500 tot 1600 ponden, op St. Domingo, zwaar, en
zijn ter verzending naar Europa geschikt.
Van de uitgelekte siroop, melasse genoemd, stookt men, na de wijngisting
ondergaan te hebben , een brandewijn, die onder den
naam van Rum algemeen bekend, en bij sommigen zeer
geacht is.
De ruwe Suiker, m Europa gekomen zijnde,moet
(*) Dit laken is eene grove soort van pij, zeer luchtig geweven, en draagt den
naam van StremijnLaken.
[pagina 45]
aldaar eene verdere rafinering ondergaan, waartoe kostbare inrigtingen, veel
omflag, en het naauw- keurigfte toezigt vereischt worden. In eene Suikerrafinaderij
heeft men, tenminste, een stel van drie koperen ketels, wel op eenen algemeenen
haard gebouwd, doch van afzonderlijke stookplaatsen voorzien; welke ketels, zoo
ver zij boven den vlakken haard uitsteken, van voren eene bijna halfronde
infnijding hebben, die, door voorzetsels, kan gesloten worden, zoo noodig bij
het opkomen der Suiker onder het koken, en, weggenomen
zijnde , eenen vrijeren toegang tot de suiker en den ketel geven.
Men doet in deze ketels eene gelijke hoeveelheid ruwe suiker en wel bereid
kalkwater (*), laat het, meestal, een nacht overstaan om de suiker te doen
fmelten, stookt dan een zacht vuur, en brengt den ketel nabij het koken, onder
gedurig omroeren der suiker, opdat zij zich niet op den bodem zette. Bij
kookhitte is de suiker, meestal, gesmolten, heeft dus dit roeren niet meer
noodig, maar kan nu haar schuim opwerpen het welk dan met eene schuimspaan
afgenomen en in een bijzonder vat geworpen wordt. Door bijvoeging van bloed, en
geklopte of gekamde (+) eijeren, zoekt men de nog overige onreinheden
(*) Men zie over de inrigting der kalkbakken en het maken
van kalkwater, den Suikerraffinadeur, bl. 56. — Naar mate de suiker zuiverder
is, neemt men minder kalk- en meer scboon water, om dezelve te smelten.
(+) De Suikerraffinadeur spreekt van eijeren te karen, het welk mij ook als de
gemakkelijkste bewerking voorkomt.
[pagina 46]
aftescheiden, en gaat hier mede, en met afschuimen, voort, totdat dit sap
genoegzaam zuiver is, en in den klaarselketel, onder doorvloeijing door het
stremijn laken, kan geschept worden.
Deze eerste zode heeft de noodige zuiverheid nog niet bekomen, of zij wordt,
andermaal, in de wel schoon gemaakte kookketels gestort, schielijk aan de kook
gebragt, en, op gelijke wijze, als de eerste reis, behandeld, terwijl men, bij
het hevige koken, een weinig boter op het opbruischende nat werpt, hetwelke terstond
bedaren doet. Deze tweede zode moet nu, door verder uitkoken, tot zoogenoemde
gare zode gebragt worden; en de voornaamste kunst des Suikerrafinadeurs bestaat
zeker mede in het wel onderzoeken, of aanproeven, van deze zode, daar zij tot
eene gepaste lijvigheid steeds gebragt moet worden: want, heeft men het vocht
niet dik genoeg gekookt, dan blijft, tot schade van den Rafinadeur, een groot
deel der suiker met de siroop verbonden; en is het te dik gekookt, dan wil de siroop
zich niet wel van de suiker afscheiden, die dan hare vereischte kleur en
vastheid niet verkrijgt. Men neemt, met den proefstok, eenige siroop uit den
ketel, en hiervan iets tusschen duim en vinger uitrekkende, oordeelt men, door
den draad, over de verkregene lijvigheid (*).
Wanneer de suiker, blijkens de aanproeving, eene genoegzame dikte verkregen
heeft, wordt zij in de, zoogenoemde, koelpan uitgestort, in wel-
(*) Men zie, hoe, in den Raffnadeur, dit aanproeven, als
eene zaak van de grootsle moeilijkheid en het uiterste gewigt, voorgedragen
geworden is.
[pagina 47]
ke de zode, een tijd lang, onder gedurig omroeren, tot eene aanmerkelijke
verkoeling moet blijven staan, om alsdan in de suikerbroodsvormen gebragt
te worden.
Deze vormen hebben de gedaante van een kegel, worden uit pottebakkers
klei gebakken, welke men, voorheen, in Duitschland uit Holland komen liet (*),
zijn onverglaasd, bevatten, voor basterdsuiker, 15 tot 17 pond, voor fijnere soorten,
als Canarie of broodsuiker, 2, 3 en meer ponden, en worden, eer men dezelve
gebruikt, in het spoelwater, waar in men de met suiker besmette werktuigen
reinigt, gelegd om te doortrekken. Het spits, of punt, der vormen, dat open is,
wordt met een trechtervormig opgerold wollen lapjen gestopt. Na dat een
genoegzaam aantal dezer vormen, met de toppen benedenwaards, geplaatst is, en
zich dus alles in eenen goeden staat bevindt,vult men eerst,tot op de helft,of
op een derde, naar dat de vormen groot zijn, met de zode dezelve aan, herhaalt
dit nog eens of twee malen, en vult ze dus geheel. Zoo ras zich eenige suiker,
in den top der vormen, aanzet, is alle man ijverig bezig, om, met een roermes,
deze fuiker los te halen, het welk tot driemalen herhaald wordt , en waarin men
zoo veel belang stelt, dat elk werkman zijne vormen, door het inwerpen van een stukje
papier, of iets anders, kenmerkt (+). Wanneer de suiker koud geworden
(*) Poppe, Handb. der Techn. f. 354.
(+) De Suikerraffinadeur , bl. 153- Dit roeren schijnt
voornamelijk ten doel te hebben, om alle holligheden, bij kristalschieting,
welligt, anders ontstaande, voortekomen.
[pagina 48]
den is , wordt het stopsel uit den vorm getrokken, en, met een eist, in de punt
van het brood gestoken, op dat de aanhangende siroop zich moge ontlasten, en in
de potten druipen; waarna de broden met de punt naar beneden gezet worden.
Intusschen verkrijgt, door de uitlekking der siroop alleen, de suiker nog geene
genoegzame blankheid; men maakt dan nu verder van een zuiverend middel gebruik,
waarvan ik nog niet gesproken heb, van eene wassching of aflpoeling namelijk.
Doch, daar de zoo smeltbare suiker nu niet toelaat, door wassching met water,
van de aanklevende siroopdeelen gereinigd te worden, is men op de gedachte
gekomen, door het opleggen van natte klei, zulks te bewerkstelligen. Deze
kleiaarde moet zonder ijzerdeelen en zeer mager zijn. Men
nam,voorheen,dezelve,als ballast van Rouaan, Saumur en St- Malo mede;
doch naderhand moest men dezelve duur koopen , en thans gelooft men, dat
pijpaarde gelijke diensten kan doen (*).
Na dat dan deze klei gewasschen, gezift, gekneed , en tot eene behoorlijke dunte
met water vermengd is (+), legt men daarvan lagen van eene genoegzame dikte op
de bodems der broden; waardoor de vochtigheid der klei door de broden geheel
heendringt, en alle onzuivere, nog kleurende deelen, in de sirooppotten doet
afloopen. Deze siroop wordt gedekte genoemd, en is
(*) Beckman, Anl. zur Techn. f. 516. Poppe, Handb. der
Techn. f. 355.
(+) De Suikerrafinadeur geeft hiervan eene Uitvoerige beschrijving op bl. 60.
[pagina 49]
hooger in waarde, dan de voorgaande, welke men ongedekte noemt. Nadat de brooden
dus eenigen tijd gestaan hebben, keert men de vormen om, opdat de, naar het punt
getrokkene, siroopdeelen zich door het geheele brood wederom verspreiden mogen.
Hierna worden de brooden uit de vormen genomen, door afschrobben en borstelen
gezuiverd, en vervolgens, als het fijne broodsuiker is, in de ftoof, een klein
vierkant vertrekje van steen, gebragt om, door eenen gloeijend heet gestookten
kagchel, gedroogd te worden (+).
De Basterden, zijnde minder gezuiverde suikerbrooden, worden naar boven
onder het dak geplaatst, al waar de warmte hen verder bekwaam maakt, dewijl zij
de glanzige hardheid der vorigen noch verkrijgen kunnen, noch noodig hebben.
Wanneer zij hier lang genoeg gestaan, of eenen genoegzamen ouderdom hebben,
worden zij in twee of drie sporten gesneden, omdat deze brooden eene ongelijke
blankheid hebben, als zijnde de bodems het witst, en de toppen het bruinst en
deze verschillende soorten van gesnedene suiker noemt men blanke basterden,
middelsoort basterden, en gemeene basterden. De dus verkregene losse of fijne suiker
wordt vervolgens in vaten gedaan, zeer veel daarvan in ons eigen land gebruikt,
en tevens, in eene verbazende hoeveelheid, verzon, den. Deze soort van suiker
moet meer dan de volkomenst gerafineerde zoeten, omdat, door alle slijmige en
gekleurde deelen wcgtenemen het meest zoete ook tevens weggenomen wordt (+).
(*) De Suikerraffinadeur, bl. 171, 173.
(+) In de Histoire Naturelle du Cacao et du Suert, IL Stuk
[pagina 50]
De fijnste, de blankste, en de zuiverste broodsuiker, ook Canariesuiker genoemd,
om dat dezelve eerst uit suiker van de Canarische eilanden gemaakt werd, wordt
niet alleen uit de meest gezuiverde zoden voortgebragt, die, met eiwit, tot schuimen
gebragt en gereinigd zijn, maar , bovendien ook, door herhaald dekken met weeke
klei, van alle kleurgevende deelen beroofd, en, in alles, op het zorgvuldigste
behandeld wordt, em de hoogst mogelijke witheid door het geheele brood heen te
bekomen.
Daar de suiker, overeenkomstig de eigenschap van alle middelzouten, zich ook in
schoone en regelmatige gedaanten schikken kan, betwelke men kristallizeren
noemt, brengt men ook de suiker alzoo voort, onder den naam van Kandij
(*). De zoden moeten, ten dien einde, van het te overvloedige zuur en de slijmdeelen,
waardoor de kristalschieting tegengehouden wordt, ontdaan zijn, doch niet te
zeer verkookt of verdikt worden. Men heeft blanke, geele, bruine, en zeer donker
gekleurde kandijsuiker , welke laatste den eernaam van Boerhaviaansche
draagt. De potten, in welke de zoden uitgegoten worden tot kristallizering, zijn
van koper, rond, ruim een voet hoog en van boven ook een voet breed; doch
beneden , al naauwer toelqopende, bedraagt de grondvlakte naauwelijks een halven
voet. Tegen over elkander, aan
waarvan «n uitvoerig uittreksel in het Kabinet der Nat. Hist. D. V. 1733.
gegeven is , wordt dit reeds zeer juist aangemerkt, M. 317.
(*) Is deze naam, Candij, van Candidus, blank, of van
X....(?), hoekig , scherp, herkomstig?
[pagina 51]
twee zijden van deze koperen kandijpotten , drilt men
kleine gaatjes, trekt hier draden door, en benaait dezelve, van onderen tot
boven; waarna de gaatjes, met natte kalk en asch, toegesmeerd worden,opdat de
ingegotene, ziedende suiker, er niet uitloope (*). In eene welgestelde
fabriek heeft men, ten minsten, 280 zulke potten, en twee candijstoven,
waarin de candijpotten gezet en heet gestookt worden.
Wanneer de zode, door aanproeving, blijkt, de vereischte dikte bekomen te
hebben, worden, zoo spoedig mogelijk, de welgeplaatste potten gevuld (+). Een
gedeelte der gekookte suiker zet zich aan, bij de verkoeling, om de draden der
potten en aan den rand, en kristallifeert aldaar. Een ander gedeelte
kristallizeert niet, maar blijft siroop. Nadat de potten zes of zeven dagen aloo
gestaan hebben, in noodige rust, worden zij gestort, dat is , van de siroop
beloofd, welke men er laat uitloopen in de ketels, waarin de zode voor broodsuiker
bewerkt wordt;
(*) In Duitscbland schijne men geene loodregte draden te scheren,
en de potten met papier van buiten te beplakken, om het doorloópen der zode te
beletten. Beckman, 1. c. f. Poppe, 1. c f 369. In het eerst liet men de suiker
om dunne stokjes aanschieten, en verbrijzelde de potten (die derhalve van sleen
moeten geweest zijn) zodra de kandij zich gevormd bad. Hist. Nat. du Cacao et du
Sucre , of, Kabinet der Nat. Hist. D. V. bL 332.
(+) De kandijpotten moeten onbewegelijk geplaatst
worden, om alle schudding, bij de kristalschieting, voortekenen, die anders
vertraagd of onregelmatig wordt.
[pagina 52]
terwijl elke pot, op eene burrie, eenigen tijd, boven de
kookpan, omgekeerd, wordt geplaatst, alwaar zij niet alleen verder uitdruipt,
maar ook de damp der ziedende suiker, tot op den bodem doordringende, de
kristallen reinigt, en dezelve vervolgens schier geheel droog maakt. Pot voor
pot wordt dan weder in de stoof, schuins, ter verdere uitlekking, liggende op
een bekken, gebragt waama een geweldig vuur in den kagchel der kandijstoof gestookt
wordt, hetwelke de overgeblevene vochtigheid doet uitlekken en opdrogen, en de
kandijën bekwaam maakt, om uit de potten gestoten, ingepakt, en afgeleverd te
kunnen worden.
De zoogenaamde Boerhaviaansche Kandij wordt uit eene zeer onzuivere zode,
die nog vele slijmerige en extractive deelen bij zich heeft, voortgebragt. De
zode wordt dikker gekookt, dan bij zuiverder soorten, ter bevordering der
kristallizering ; doch, van wege de slijm, is nog steeds de kristalschieting
minder regelmatig, en de suikerkandij veel weeker, vochtiger, en eerder smeltend.
Indien wij den Suikerraffinadeur (*) mogen gelooven, zouden wij deze kandij voor
de slechtste van alle foorten , ook ten opzigte der gezondheid , moeten houden :
doch verre is het er van daan, dat deze magtspreuk eenig geloot verdiene. Deze suiker
is, van wege de genoemde aanklevende deelen, de meest voedende en voor de borst
de meest verzachtende; zoodat zij, in sommige teringsoorten, bij welke eene
groote dunheid en scherpte van vochten plaats heeft, van een aanmerkelijk nut
kan zijn (+).
(*) Bl. 109.
(+) A. Ijpeij, Scheidk. D. III. bl. 491.
[pagina 53]
Met den afval, zijnde het schuim der zoden en de uitlekkende siropen, handelt
men overeenkomstig deszelfs meerdere of mindere zuiverheid. Het schuim en vele
dropen worden tot het maken van basterden gebruikt; de afval der ruwe suiker
verschaft de gemeene zwarte siroop; van het water in den vormbak, waar in de
vormen en andere gereedschappen gewasschen worden, en hetwelke suiker genoeg
bevat, om spoedig tot eene wijnachtige gisting overtegaan, kan een geestrijk
vocht, van eenen brandewijnachtigen smaak, gestookt worden.
Indien men niet, in alle tijden, geleerd had, volgens den wijzen regel te
handelen : zich te schikken naar de omstandigheden, indien zij zich niet naar
ons willen schikken, en zich, zoo goed mogelijk, te behelpen in zaken, welke men
niet veranderen kan; en indien men, daar aan getrouw, ook thans, niet getracht
had , om, in de plaats van de schier onverkrijgbare suikers en siropen der
Indiën, dat zoo gezonde als aangename voedsel,uit inlandsche gewassen
voorttebrengen,zouik geenemelding behoeven te maken van de siroop en suiker,
welke uit inlandsche gewasfen getrokken worden. Verre, immers,ben ik er af,die
kinderachtige,die bekrompene Helling toegedaan te zijn, dat elk land met zijne
eigene voortbrengselen zich moet vergenoegen , als zijnde niét alleen van allen
goeden verdedigbaren grond ontbloot, en strijdig met het wereldburgerfchap,tot
hetwelke zich toch het onbevooroordeelde verftand verheft; maar ook 'ge. heel
inloopende tegen de wijze inrigtingen der Natuur, en bet groote doel des
Scheppers.
Nu, echter, terwijl de maatschappelijke toestand tot
inlandsche gewassen, ter verkrijging van het
[pagina 54]
gezonde en welsmakende gebruik der suiker, geleid heeft, offchoon de aard van
het geschapene, en de eigenschappen dezer gewassen zulks niet kon. den doen,
moet ik ook, onder deze betrekkingen, daarvan een woord spreken.
De suikerstof, zoo als ik gezegd heb, is niet slechts in het suikerriet, maar
ook in vele andere gewassen aanwezig; doch vele van die gewasfen, gelijk fijne
fruit, kersen , abrikozen, enz. hebben eene andere te edele, strekking, om er suikerstof
uit te trekken; en, bij eene groote menigte gewassen, is de hoeveelheid zoo
gering, dat zij wel tot eene scheidkundige proef, maar geenszins tot
huishoudelijk gebruik, verkregen kan worden. Bovendien is de suikerstof, in
fchier alle deze gewassen,op het naauwst met slijm en extractivedeelen verbonden
; zoodat zij tot geene kristallen gebragt kan worden, maar, of in den slaat van
siroop, of, op het hoogst, in eenen korreligen toestand verfchijnt, die ook dan
weinig zoet is.
Onder de gewassen van Europa, waaruit, naar plaatselijke gesteldheid , met
voordeel, siroop, of suiker voortgebragt wordt, en wel bij fabrieksmatige
inrigtingen, behooren de Rode Beet of Biet, de
Mangelwortel en de Rede Peeën (*), in het Noordelijke; en de Druif
in het Zuidelijke Europa. De Heer ACHARD, te Berlijn, heeft zich eenen grooten
naam verworven met de gewoonte der landlieden, om , uit betewortelen en
peeën , (Beta vulgaris et Dancus carota) een siroop te koken, te volmaken,
en tot eene suikerfabriek te brengen.' Doch, zij, die zich niet lieten wegslepen
door den te vroeg gemaakten grooten ophef,
(*) In Holland meest bij den naam van wortelen — (Hoornsche
enz. wortelen bekend.
[pagina 55]
stemden wel toe, dat er goede suiker daargesteld is , maar
met te vele kosten , of in eene te geringe hoeveelheid , omdat het ware suiker-
beginsel te naauw met het overvloedig slijmerige en extractief gedeelte
verbonden is. Nu echter de nood op het hoogste klimt; het
Gouvernement den bouw van mangel wortelen gelast, de oprigting van
Fabrieken om daar uit suiker te maken, zeer aanbeveelt, voorstaat en begunstigt;
nu de scheikundigen alle onderzoekingen en proeven in het werk stellen om de
noodige inlichting aan de fabrikeurs te geven, vele raadgevingen, oorspronkeiijke
en vreemde, reeds daartoe bestaan , en, zoo als men schrijft, met proeven gestaafd
zijn, zal men door de uitkomst moeten leeren, wat de nood en de kunst in dezen
vermogen. — De wetenfchappelijke dagbladen maken ons fteeds met de
werkzaamheden ten dezen opzigte bekend; en daar er nog niets zekers, niets
volledigs thans (in maart 1812) daarover bestaat,
kan ik niets grondigs hierover zeggen, noch de thans opgerigt zijnde en opgerigt
wordende fabrieken, ook in ons vaderland, befchrijven, daar geene tot hier toe
eenige suiker ten verkoop in het groot opgeleverd hebben. — En dit toch is
hetgene men verlangt, en de zaak beslist.
Het Zuidelijke Europa, en bijzonder Spanjen, alwaar de druivenoogst dikwijls zoo
groot is, dat zij voor de eigenaren tot een waar ongeluk verstrekt, door de
voortbrengselen onverkoopbaar te maken; zoodat, te Toro, de bedelaars, in
1804 , zoodanig met druiven en rozijnen verzadigd waren, dat zij meer dan
honderdzesrig duizend Arobes, ieder van vijfentwintig ponden, achter lieten, en
men, in bet zelfde jaar, wel
[pagina 56]
tweehonderd kannen wijn , te Arando , op de straat uitgoot, omdat men er noch
koopers, noch drinkers toe kon vinden; terwijl er, in de wijn. gaarden, wel
honderdvijftigduizend kannen overbleven : in deze zoo verbazend vruchtbare streken,
Zeg ik, kunnen zeker de druiven allezins strekken om er suiker uit
voorttebrengen; en zij schijnen , voornamelijk in deze warme gewesten, daartoe
beter, dan eenig ander Europisch gewas, geschikt te zijn. Immers, deze fuiker
kan niet alleen in de gedaante van droop, maar ook van gerafineerde suiker,
worden gebragt. De siroop zelve is dienstig bij alles, het welke slechts zoet
behoeft te wezen , zonder dat het op de kleur aankomt, en dus bij chocolade,
koffij, melk spijzen, room, enz. En daar het druiven-extract, .even eens als het
sap van suikerriet, kan behandeld, en de verkregene suiker geraffineerd worden
, zoo verkrijgt men eene volkomen blanke suiker, die zeer zuiver en aangenaam
van smaak is , doch de vastheid van de suikerrietsuiker niet bezit, als wordende
zulks, door hare korrelige en lponsachii.se kristallifatie, belet. Ook is zij
minder zoet, zoodat men twee en een halve deelen van deze suiker noodig heeft,
om iets even zoet te maken, als met twee deelen gewoone suiker gefchieden kan
(*).
(*) De Heer Proust heeft, In het LVIIste Deel der Ann de Chimie, belangrijke
Verhandelingen over de suikerbereiding uit druivenzap geleverd, waar uit Prof.
A. IJpeij, in zijne Verbeteringen en Bijvoegsels, enz. D. 111 bl. 168—225, de
gewigtigste waamemingen heeft overgenomen , het hier door mij bijgebragte steunt
ook op deze waamemingen.
[pagina 62] OVER DE BEREIDING VAN
SUIKER UIT DEN MANGELWORTEL.
(Medegedeeld door P. Van Werkhoven, apotheker te Utrecht)
De bereiding van de Suiker uit suikerachtige planten, ter
vervanging van de Suiker uit het Suikerriet, thans vooral van het hoogde belang
zijnde, om bij den hoogen en indedaad buitensporigen-prijs
der Koloniale Suiker daardoor een plaatsvervangend middel te verkrijgen,
dat in den tegenwoordigen toesland der Maatschappij genoegzaam als onontbeerlijk
kan geacht worden, heeft reeds onderscheidene Scheikundigen tot proeven
aanleiding; gegeven , welke aan het publiek in Frankrijk en in Duitschland zijn
bekend geraakt. Het kan derhalve mijn voornemen hier niet zijn:, iets geheel
nieuws; daarover mede te deelen. Dan, in een Hoogduitsch-tijdichrift, uitgegeven
dóór den Hoogleeraar HERMBSTÄDT, te Berlijn, onder den titel van Bulletin
des neuesten und wïsfenswürdigften aus der Naturwisfenfchaft &c. IV. Band,
IV Heft, 1810, eene Verhandeling vindende, waarbi 'de wijze, om Suiker
uit den Mangelwortel te verkrijgen, zeer duidelijk en voor een iegelijk
geschikt wordt voorgedragen, heb ik het niét overtollig geóórdeeld, daarvan
den hoofdzakelijken inhoud te vertalen, en, eenigzins voor onze Landgenoöten
omgewerkt en geschikt, mede te deelen; terwijl ik het Mengelwerk van deze Letteroefeningen,
als een genoegzaam algemeen gelezen, wordend werk best geschikt vond om deze kleine
Verhandeling op te nemen.
Het is algemeen genoeg Bekend, dat een aantal ligchamen uit het plantenrijk eene
natuurlijke suiker bevatten , en door gepaste middelen meer of min daarvan
opleveren; dan ook te gelijk is het waar, dat alle zoodanige Suikers min of meer
eenen onaangenamen bijsmaak bezitten, waarvan zelfs de
Suiker uit den Mangelwortel niet geheel bevrijd is, als hebbende eenen smaak,
naar dien van het sap van Zoethout zweemende, welken men echter kan beletten,
indien de wortelen, vóór de bewerking, van derzelver schillen ontdaan worden.
Ik geloof verder veel grond te hebben om te denken, dat de Suiker, waarvan hier
gehandeld, zal worden, altoos boven
[pagina 63]
alle andere dergelijke Suikers de voorkeur zal verdienen, te meer omdat mij door
den achtenswaardigen Heer Baron VAN LIJNDEN VAN HEMMEN omlangs eene proef
van zoodanige Suiker is toegezonden, die maar zeer weinig
Van de Koloniale Suiker te onderscheiden was, zoo in kleur en smaak , als in
droogte. De bekende ijver van dezen Heer voor alles, wat tot kunsten en wetenschappen,
en vooral wat tot dé huishoudkunde betrekking heeft, geeft mij veel hoop, dat
wij eerlang een Verslag van zijne inrigting, thans in het groot aangelegd, te
wachten hebben.
ACHARD komt de eer toe van de, door MARGGRAF ontdekte, afscheiding van Suiker
wit de verschillende soortén van Beetwortelen, van welken onze
Mangelwortel eene bijzondere soort uitmaakt, weder verlevendigd te
hebben. Sedert elf jaren heeft men de proeven over dit onderwerp bijna
onafgebroken voortgezet: bevoegde en onbevoegde mannen hielden zich daarmede
bezig; en men moer zich om die reden des te minder verwonderen, dat in onze
huishoudingen de Suiker uit den Mangelwortel nog zoo weinig bekend is, dat verre
het grootste gedeelte van het publiek dikwijls aan de mogelijkheid twijfelt ,
dat uit den Mangelwortel met oekonomisch Voordeel Suiker bereid kan worden.
Daar mijn oogmerk niet is, en hief ook niet zijn kan, om over dit onderwerp op
eenen scheikundigen trant uit te weiden, wijl het alleen de onderrigting van het
algemeen betreft, zoo zal het genoeg zijn te verzekeren dat, indien men zorge
draagt van naauwkeurig de regelen in acht te nemen, die men bij de bereiding
volgen moet het niet missen kan, of men zal met voordeel eene goede Suiker
verkrijgen, het zij dan dat men daartoe den gelen, witten, of rooden wortel
neme; om het even of de wortelen met de grootste vlijt en oplettendheid, of wel
door den landbouwer tot voeder voor zijn vee, gebouwd zijn.
Evenwel geen regel zonder uitzondering ; dit heeft dan ook bij den Mangelwortel
plaats; en zoo heeft eene veeljarige ondervinding geleerd dat de volgende voorwaarden
als zekere waarheden te beschouwen zijn:
1) Mangelwortelen, die op eenen grond gewassen zijn, waarop te voren schapen
geweid waren, of die met schapenmest gemest was, leveren genoegzaam volstrekt
geene Suiker op; daarentegen echter veel salpeter;
[pagina 64]
2) Mangelwortelen, die op eenen versch met paardenmest gemesten grond
gewassen zijn, leveren weinig Suiker op ; daarentegen veel Zout- en Salpeterzure
Potasch.
3) Mangelwortelen, die op eenen versch met koemest gemesten grond geteeld
zijn, leveren meer Suiker; deze bevat echter veel Phosphorzuur en Appelzuur
Ammoniak, en Zoutzure Potasch.
4) Mangelwortelen, die op braakgronden gebouwd zijn , Eijn, wel is waar,
kleiner dan die , welke op eenen goeden gemesten grond geteeld zijn, doch zij
bevatten meerder Suiker dan de laatste.
5) De grootste hoeveelheid Suiker leveren de volkomen witte Mangelwortelen;
daarop volgen die met gele schillen en wit vleesch; daarop die met roode schillen;
en wit vleesch; daarop die met roode schillen en wit vleesch met roode kringen.
; ,
6) Mangelwortelen, die op eenen zandachtigen leemgrond geteeld zijn, bevatten
meerder. Suiker dan die welke op eenen vetten kleigrond gewassen zijn.
.7) De Mangelwortel levert don alleen eene groote hoeveelheid van deugdzame
Suiker op, wanneer de bewerking van het begin van October tot het einde van
Janua rij verrigt wordt. Van de maand Februari af verandert zich zijne
grondmenging; de Suikerstof gaat in slijmsuiker over, en raakt met der tijd
geheel verloren.
8) Het maximum der oplevering van goede korrelige geraffineerde Suiker uit den
Mangelwortel bedraagt 4 ponden, het minimum 2 1/2 ponden van honderd ponden
Mangelwortelen: de middelberekening kan derhalve, op 3 ponden gesteld worden.
9) Honderd ponden Mangelwortelen leveren, na de uitpersing, als maximum 52 1/2
ponden, én als minimum; 42 ponden sap; het overblijvende weegt in het eersta
geval 47 1/2, en in het tweede 58 ponden.
10) Uit het van 100 ponden uit den Mangelwortel verkregene sap bekomt men, na de
heldermaking, zuivering en verdamping, 6 tot 7 ponden matig dikke Siroop; wat
gedurende de verdamping verloren gaat, ben staat enkel in waterdeelen.
11) Indien men de Mangelwortelen tot voeding van het vee gebruikt , worden
derhalve hier maar zes tot zeven ponden der voedende zelfstandigheid weggenomen;
het overige is een waterachtig ligchaam, waarvan het vee geen voedsel trekken
kan.
[pagina 65]
12) De gewonnen Siroop uit Mangelwortelen kan, wel i waar, ter zoetmaldng van spijzcn
enz. gebezigd worden , doch zij kan nimmer als eene volkomen plaatsvervangster
van de Koloniale Suiker dienstig zijn, wijl zij nog eenige vreemde deelen bevat,
die er eenen vreemden smaak aan geven; deze deelen bestaan vooral uit Zoutzure
Potasch; Appelzure Potasch, en uit Zoutzuren Kalk.
Deze zijn de voorname uitkomsten, die door Hermbstädt , zoo wel bij den
bouw van den Mangelwortel, als bij de bereiding -van deszelfs Suiker, zijn
waargenomen en verkregen; en er blijft mij nu overig, zijne zeer eenvoudige
bereiding, zoo beknopt mij mogelijk is, mede te deelen: eene bereiding, waarvan
hij verzekert, steeds de beste gevolgen gezien te hebben; die niet kostbaar is,
en zoo min omslagtig, dat zij door een ieder, zelfs door den landman, bij de
noodige oplettendheid, kan gevolgd worden, en die zeker verdient algemeen in het
werk gesteld te worden, vooral door bezitters van landgoederen, die er zeer
zeker thans hunne rekening bij vinden zullen.....etc......etc
[bron: Vaderlandsche letteroefeningen 1811]
- [pagina 410] HET
SUIKERRIET.
Hoewel er verscheidene soorten van suikerriet zijn, worden er slechts twee
gekweekt om de suiker daaruit te bereiden, namelijk de saccharum spicatum
of Oost-Indische, en de saccharum officinale of West-Indische.
Onzeker is het of de ouden met dit nuttige gewas bekend waren. De eerste
stellige berigten, die wij deswege hebben, dagteekenen van den tijd dor
Kruisvaarders, wanneer de suiker van de Sarracenen schijnt gekocht en naar
Europa overgebragt te zijn; het riet zelf werd naderhand op het eiland Cyprus
geplant, en in het jaar l166 vinden wij gewag gemaakt van eenen molen tot het
malen van suikerriet in Sicilië. In 1420 werd het op Madera, eenige jaren later
op de Kanarische eilanden aangekweekt, en door Columbus, bij zijne tweede reis
naar Amerika, naar het eiland Cuba overgebragt. Sedert echter heeft men
opgemerkt dat het suikerriet geenszins in eenen wilden staat zeldzaam is op de
West-Indische en Zuidzee-eilanden; doch, hoezeer door de inboorlingen als
voedsel gebruikt, waren zij onbekend met het middel om suiker daaruit te
bereiden.
De kunst om de suiker te raffineren werd door eenen
Venetiaan, omtrent het einde der zestiende eeuw, uitgevonden; en men
zegt, dat hij zich door die uitvinding een vermogen van honderd duizend
[pagina 411]
kroonen, eene in die dagen hoogst aanzienlijke som, heeft verschaft. Achtervolgens
heeft zich daarop die kunst in den loop der zeventiende eeuw over de overige
landen van Europa verspreid. In latere jaren is de suikerteelt op eene
zeer groote schaal in de meeste der West-Indische eilanden gedreven, en de hier
volgende beschrijving van de wijze van suikerbereiding is die, welke doorgaans
in de West-Indische koloniën gevolgd wordt.
Aankweeking van het riet en bereiding der ruwe suiker. Het
bereiden van den grond, eer het riet er in geplant wordt, wordt als de hardste
arbeid der arme negers beschouwd. Daarom worden hun bij dion arbeid veelal ook
meer rust dan gewoonlijk en meerdere ververschingen vergund.
Er worden vierkante gaten, overdwars vier voet breed, in den grond gegraven. De
hoeken dezer gaten worden aangewezen door stokjes, welke daarin gestoken zij n
door de jonge Negers, die zulks vrij regelmatig doen kunnen , daar een lange
ketting over het land gespannen wordt, waardoor de rijen der gaten evenwijdig
tot elkander staan. Terwijl de suikerveldeu in dien toestand zijn, worden
dikwijls aardappelen op den rand tusschen de gaten en Turksch koren binnen du
gaten geplant. Wanneer deze ingeoogst zijn, worden de gaten nog dieper
uitgegraven, en door de aarde naar de randen te brengen, worden de gaten
volmaakt vierkant; alsdan wordt het land gemest en blijft zoo tot den planttijd
liggen.
Het suikerriet wordt voortgeplant door het baksel, dat van boven de plant, ter
hoogte van achttien duim van den top, afgesneden wordt. Dit baksel is ongeveer
twaalf duim lang, en wordt ongeveer vier en twintig uren in water geplaatst,
daar men bevonden heeft, dat zulks het uitschieten der plant grootelijks
bevordert. Wanneer bij het innen van den oogst, het land niet toereikende droog
is, wordt het baksel in kleine bundeltjes zaamgebonden en op deszelfs einden
geplaatst; het wordt alsdan met gedroogde rietbladeren bedekt, en van drie tot
vier malen daags besproeid om goed te blijven. De regen is hoogst noodzakelijk
voor den groei van het jonge riet, en in droog weder kan de plant met geene hoop
op eenen goeden uitslag aan den grond worden toebetrouwd. Zoo het weder het
planten begunstigt, worden de bundels naar het suikerveld gebragt, en de jongere
Negers plaatsen twee of drie baksels in elk vierkant, terwijl de meer bekwame
werklieden in de gaten kleine sleuven ter diepte van ongeveer zes duim graven,
waarin zij de planten plat leggen , zoodat aan weerskanten de spruiten voor den
dag komen.
Na elf of twaalf maanden heeft het riet de noodige rijpheid en is geschikt om
afgesneden te worden. Om te weten wanneer een suikerveld rijp genoeg is, wordt
een weinig sap geperst uit een riet, dat men nagenoeg als de maatstaf voor het
geheel kan aanmerken; dat sap wordt in de zon gelegd om de waterachtige deelen
er te laten uitdampen; zoo het zich kristalliseert en vast wordt, is het riet
rijp. De Negers, met eene bijzondere soort van bijlen gewapend, worden even als
bij het graven, in eene rij gerangschikt en gaan op de volgende wijze te werk.
Eerst wordt de top alsmede dat gedeelte, hetwelk tot voortplanten gebruikt
wordt, afgesneden; het overige gedeelte wordt aan stukken van ongeveer drie voet
in lengte gehakt en met de groene toppen zaamgebonden in bundels van twintig tot
dertig stuks. De hakkers, naar mate zij voortgaan; snijden tevens de wilde
uitwassen van het riet af, dat anders minder goed zou kunnen zaamgebonden
worden. Naderhand worden die wilde spruiten tot brandstof gebruikt, terwijl de
groene toppen tot voeder voor het vee dienen. De bundels riet worden daarna op
karren geladen en zoo digt mogelijk bij de molens nedergelegd, om den arbeid te
verligten van de jonge Negerinnen, die dezelve op hare hoofden naar de deur van
den molen brengen, alwaar zij beroofd worden van de groene toppen, waarmede zij
zaamgebooden zijn.
Het onderste gedeelte van den molen bestaat hoofdzakelijk uit drie digt bij
elkander geplaatste cilinders, die rondgedraaid worden doormiddel van getande
raderen, en het riet tusschen derzelver oppervlakte verbrijzelen; naast deze
cilinders staat de Neger, belast om den molen met riet te onderhouden; doch bij
sterken wind werkt de molen zoo snel, dat twee Negers daartoe noodig zijn. Het
uitgeperste sap wordt gevangen in eene looden goot onder de cilinders, en loopt
alzoo naar eenen bak op de zijde van den molen, waar het door twee bouten
teemsen vloeit om van de nog daarin gebleven zijnde stukjes riet gezuiverd te
worden, en vervolgens door eene metalen buis naar bet kookhuis loopt. Het riet
zelf, na door de cilinders verbrijzeld te zijn, glijdt over een hellend vlak
door eene opening in den muur van den molen , van waar het door de vrouwen en
oude negers wordt weggedragen, die het in de zon uitspreiden en omdraaijen , ten
einde het, droog zijnde, als brandstof te gebruiken.
Het sap uit het suikerriet door buizen naar het
kookhuis geleid zijnde, loopt in de kookketels, waarvan sommige buitengewoon
groot zijn. In deze ketels wordt het bijna tot eene kokende hitte gestookt, en
door eene zekere hoeveelheid van loog, die hier daarin gemengd wordt, vergaart
zich al de onreinheid op de oppervlakte. Het sap wordt nu van onder het schuim
geschept en in eenen anderen ketel gestort, waar het geschuimd wordt totdat het
doorschijnend is , doch waar men het nog laat koken. Daarop wordt het door
middel eener goot geleid naar den grootsten der vier uitdampingsketels,
doorgaans de hoofdketel genaamd; hier laat men het sap koken , en naar gelang
het schuim opkomt, wordt het doof groote spanen afgeschept, totdat het fijner en
eenigzins dikker wordt. Hiermede wordt voortgegaan totdat de hoeveelheid, door
het gedurige schuimen en uitdampen, genoegzaam geslonken is, om vervat te kunnen
worden in den tweeden of volgenden ketel, waarin het dan ook geleid wordt. Het
sap heeft uu ongeveer de kleur van Maderawijn. In dezen tweeden ketel wordt het
koken en schuimen voortgezet, en wanneer het sap niet zoo helder wordt als men
verwacht had, wordt zekere hoeveelheid kalkwa- ter en loog daarin gemengd.
Wanneer het door het schuimen en uitdampen wederom genoeg in massa verminderd is
om in den derden ketel te kunnen worden overgebragt, wordt het daarin geleid, en
op deze wijze gaat men voort tot den laatsten der ketels.
De koelbakken, doorgaans ten getale van zes, zijn ondiepe houten vaten , omtrent
elf duim diep , zeven voet lang en van vijf tot zes voet breed. Hier loopt de
suiker, nnar mate zij verkoelt, tet eene ruime onregelmatige massa van
onvolmaakte, half' gevormde kristallen, en scheidt zich van de stroop.
Het kooksel van elken dag wordt den volgenden morgen in emmers uit de koelbakken
van het kookhuis overgebragt naar het klaarselhuis, waar
[pagina 412]
het van vijf tot zes weken in vaten blijft liggen, terwijl de stroop in
daaronder liggende bakken afdruipt. Wanneer dat dampen ophoudt, worden de vaten
opgekuipt en de suiker is dan voor den uitvoer gereed.
Het koken van het sap moet dadelijk plaats hebben nadat hetzelve uit het riet is
geperst, daar het, iloor de hitte der luchtstreek, in minder dan een half uur,
in eenen staat van gisting zoude zijn.
Al de bovenstaande bijzonderheden zijn hoofdzakelijk getrokken uit het werk van
den Heer Clark over de suikerteelt op het eiland Antigua , terwijl ook
onze houtsneden naar de platen in dit werk genomen zijn.
Het raffineren der suiker in Europa. Wij meencn daarvan geene
betere beschrijving dan de volgende te kunnen geven, welke getrokken is uit het Technologisch
Handboek van J. A. Uilkens.
Om de suiker van te overvloedig zuur, van slijm, van kleurstof en van andere
toevallig bijkomende vreemde deelen te ontdoen , en alzoo in eenen minieren
staat te brengen, maakt men gebruik van kalkwater, eiwit
en ossenbloed. Het kalkwater dient voornamelijk, om het te overvloedig
zuur, hetwelk de suikerzetting of kristallisatie zeer belet, weg te nemen. De
kalk vereenigt zich dan met dit zuur, en valt, als onsmelthaar suiker-seleniet
naar beneden, of dry f t als schuim boven, en kan dus gemakkelijk weggenomen
worden. SIijm, kleurstof, extractiestof moeten op eene andere wijze aan het suikernat,
of ruwe suiker ontnomen worden; daartoe maakt men van een , zich met deze
vreemde deelen verbindend en stollend middel gebruik, en wel bijzonder van
ossenbloed en eiwit, terwijl ouk melk tot dat einde voorgeslagen is.
Het gebruik van eiwit is van veel vroegeren oorsprong dan dat van bloed. Ook kan
het bloed alleen door zijn, bij kookhitte stollend, gedeelte eenige nuttige
uitwerking te weeg brengen; doch, wanneer volkomen versch ossenbloed, en niet
dat van andere dieren, hetwelk van eenen vetteren aard is, gebruikt wordt, doet
het, door meer te schuimen, eene betere uitwerking dan eiwit; en er zou geene
reden zijn om het gebruik van bloed zoo streng te verbieden , als in de jaren
1704, 1714, 1721 en 1732 door den Magistraat van Amsterdam
[pagina 413]
geschied is, indien men niet dikwijls bedorven bloed genomen had, hetwelk zich
van de suiker niet weer volkomen laat afscheiden, maar oorzaak is, dat de suiker
door roode vlekken onaanzienlijk voor betoog, walgelijk voorden smaak wordt, en
zelfs aan de werking van maden blootgesteld is. Tot de blankste suiker worden
steeds eijeren gebruikt, en wel het wit daarvan, om alle kleurgeving te
voorkomen.
Ofschoon nu deze bewerking van de suiker wel op scheikundige gronden steunt,
vordert echter dezelve geenszins zulk eene diepe kennis in deze wetenschap, dat
men daardoor regt zou hebben, den laten oorsprong der suikerraffinaderij te
verklaren, maar veel meer denken moet aan het zoo lang onbekend geblevene der
plaatsen, alwaar het suikerriet oorspronkelijk gevonden wordt. De kunst om
suiker te koken, schijnt eerst in het midden der vijftiende eeuw ontdekt te
zijn; en de kunst van raffinering is, nog veel later, door eenen Venetiaan
uitgevonden, die er zich eenen aanzienlijken rijkdom daardoor verworven heeft. Voor
ruim eene halve eeuw was echter deze kunst nog zeer onvolkomen, en het getal der
suikerraffinaderijen in Europa zeer klein, daar Rusland en Braband toen nog niet
eene, Duitschland en Engeland zeer weinige, en Amsterdam slechts vijf van deze
fabrijken bezat; doch sedert dien tijd is het getal in Engeland legio
geworden; in Duitschland, en voornamelijk te Hamburg, telt men meer dan twee
honderd raffinadeurs. Zelfs de Russen hebben zich toegelegd om fabrijken aan te
leggen; te Petersburg zijn meer dan 80 raffinaderijen , en wel zoo uitgebreid,
dat twee groote Hollandsche fabrijken naauwelijks eene Petersburgsche uitmaken.
Amsterdam telde er meer dan 120; te Rotterdam waren er voor eenige jaren 40
aan het werk; ook elders in ons Vaderland treft men suikerraffinaderijen aan.
Doch, in welk eenen kwijnenden staat bevonden zich niet reeds eenen geruimen
tijd ook deze onze Vaderlandsche fabrijken ! en hoe velen derzelve thans geheel
stilstaan, is een' ieder bekend.
Het uit riet geperste suikersap ondergaat in de Indiën eene aanvankelijke
raffinering, die zich echter meestal niet verder uitstrekt, dan om dit vocht de
grofste onzuiverheden te ontnemen, en
[pagina 414]
door uitkoken genoegzaam te verdikken, om bij verkoeling tot eene drooge
zelfstandigheid, die tot verzending geschikt is, te kunnen overgaan.
Men heeft in de raffinaderijen in Indië onderscheidene ketels, meestal vijf. In
den eersten ketel doet men het nat, brengt het nabij het koken, werpt er eenig
kalk- en asohloogwater in, en schuimt de menigvuldige onzuiverheid af, die als
schuim opkomt. Uit dezen eersten ketel brengt men het vocht, onder doorklenzing,
door een laken, hetwelk in eene mand gelegd is [Dit laken is eene grove soort
van pij, zeer luchtig geweven, en draagt den naam van stremijnlaken] in den
tweeden ketel over; doet het ook hier nabij het koken komen , onder bijvoeging
van kalk- en loogwater, schuimt het weder af en vaart op dezelfde wijze voort,
tot aan den vijfden of laatsten ketel, die niet meer ter zuivering, maar ter
verdikking van het vocht dient.
In dezen ketel wordt het lijvige nat door een groot vuur aan sterk koken
gebragt: en nadat deze stroop genoegzaam verdikt is, wordt zij in eene koelpan
uitgestort; uit deze met bekkens in een groot houten vat gebragt, en hierin zoo
ver verkoeld zijnde, dat men den vinger er in houden kan, weder in vaten gedaan,
die onder in den bodem eenige gaten hebben , welke losjes met groen suikerriet
zijn gestopt, opdat de overblijvende stroop kan uitlekken in eene goot, boven
welke deze vaten zijn geplaatst en de suiker in eene drooge zelfstandigheid
terug blijft. Deze vaten met gestolde suiker, na eenige dagen gestaan te hebben,
worden daarop toegekuipt; zij zijn tusschen de 700 en de 1000 ponden in
Suriname, en van de 1500 tot 1600 ponden op St. Domingo zwaar, en zijn ter
verzending naar Europa geschikt.
Van de uitgelekte stroop, melasse genoemd, stookt men, na de wijngisting
ondergaan te hebben, eenen brandewijn, die onder den naam van rum algemeen
bekend, en bij sommigen zeer geacht is.
De ruwe suiker in Europa zijnde, moet aldaar eene verdere raffinering ondergaan,
waartoe kostbare inrigtingen, veel omslag en het naanwkeurigste toezigt
vereischt worden. In eene suikerraffinaderij heeft
men ten minste een stel van drie koperen ketels, wel op eenen algemeenen haard
gebouwd, doch van afzonderlijke stookplaatsen voorzien; welke ketels, zoo ver
zij boven den vlakken haard uitsteken, van voren eene bijna halfronde insnijding
hebben , die door voorzetsels kan gesloten worden , zoo noodig bij het opkomen
der suiker onder het koken, en weggenomen zijnde, eenen vrijeren toegang tot de
suiker en den ketel geven.
Men doet in deze ketels eene gelijke hoeveelheid ruwe suiker en wel bereid
kalkwater, laat het meestal een nacht overstaan om de suiker te doen smelten,
stookt dan een zacht vuur, en brengt den ketel nabij het koken onder gedurig
ontroeren der suiker, opdat zij zich niet op den bodem zette. Bij kookhitte is
de suiker meestal gesmolten, heeft dus dit roeren niet meer noodig, maar kan nu
haar schuim opwerpen, hetwelk dan met eene schuimspaan afgenomen en in een
bijzonder vat geworpen wordt. Door bijvoeging van bloed en geklopte of gekamde
eijeren, zoekt men nog de overige onreinheden af te scheiden, en gaat hiermede
en met het afschuimen voort, tot dat dit sap genoegzaam zuiver is en in den
klaarselketel, onder doorvloeijing, doorr het stremijnlaken kan geschept worden.
Deze eerste zode heeft de noodige zuiverheid nog niet bekomen, of zij wordt
andermaal in den wel schoon gemaakten kookketel gestort, schielijk aan de kook
gebragt, en op gelijke wijze als de eerste maal behandeld, terwijl men bij het
hevige koken een weinig boter op het opbruisende nat werpt, hetwelk het terstond
bedaren doet. Deze tweede zode moet nu door verder uitkoken tot zoogenaamde gare
zode gebragt worden; en de voornaamste kunst des
suikerraffinadeurs bestaat zeker mede in het wel onderzoeken of
aanproeven van deze zode, daar zij tot eene gepaste lijvigheid steeds gebragt
moet worden, want heeft men het vocht niet dik genoeg gekookt, dan blijft tot
schade van den raffi- uadeur een groot deel der suiker met de stroop verbonden ;
en is het te dik gekookt, dan wil de stroop zich niet wel van de suiker
afscheiden , die dan hare vereischte kleur en vastheid niet verkrijgt. Men neemt
met den proefstok eenige stroop uit den ketel, en hiervan iets tusschen duim en
vinger uitrekkende, oordeelt men door den draad over de verkregene lijvigheid.
Wanneer de suiker, blijkens de aanproeving, eene
genoegzame dikte verkregen heeft, wordt zij in de zoogenaamde koelpan
uitgestort, in welke de zode een tijd lang, onder gedurig omroeren, tot eene
aanmerkelijke verkoeling moet blijven staan, om alsdan in de suikerbroodsvormen
gebragt te worden.
Deze vormen hebben de gedaante van eenen kegel, worden uit pottebakkers
klei gebakken, welke men voorheen in Duitschland uit Holland komen liet, zijn
onverglaasd, bevatten voor basterdsuiker 15 tot 17 pond, voor fijnere soorten,
als kanarie- of broodsuiker 2, 3 en meer ponden, en worden, eer men dezelve
gebruikt, in het spoelwater, waarin men de met suiker besmette werktuigen
reinigt, gelegd om te doortrekken. De spits of punt der vormeu, die open is,
wordt met een trechtervormig opgerold wollen lapje gestopt. Nadat een genoegzaam
aantal dezer vormen met de toppen benedenwaarts geplaatst is, en zich dus alles
in eenen goeden staat bevindt, vult men eerst tot op de helft of op een derde,
naar dat de vormen groot zijn, met de zode dezelve aan, herhaalt dit nog eens of
twee malen, en vult ze dus geheel. Zoo ras zich eenige suiker in den top der
vormen aanzet, is alle man ijverig bezig om met een roermes deze suiker los te
halen, hetwelk tot driemalen herhaald wordt, en waarin men zoo veel belang
stelt, dat elk werkman zijne vormen, door het inwerpen van een stukje papier of
iets anden kenmerkt. Wanneer de suiker koud geworden is, wordt het stopsel uit
den vorm getrokken, en met eene els in de punt van het brood gestoken, opdat de
aanhangende stroop zich moge ontlasten en in de potten druipen; waarna de
brooden met de punt naar beneden gezet worden.
Intusschen verkrijgt door de uitlekking der stroop alleen de suiker nog geene
genoegzame blankheid; men maakt dan nu verder van een zuiverend middel gebruik,
waarvan ik nog niet gesproken heb , van eene wassching of afspoeling namelijk.
Doch daar de zoo smeltbare suiker nu niet toelaat door wassching met water, van
de aanklevende stroopdeelen gereinigd te worden , is men op de gedachte gekomen,
door het opleggen van natte klei zulks te bewerkstelligen. Deze kleiaarde moet
zonder ijzerdeelen en zeer mager zijn. Men nam voorheen dezelve als ballast van
Rouaan, Saumur en St. Malo mede; doch naderhand moest men de-
[pagina 415]
zelve duur koopen, en thans gelooft men, dat de pijpaarde gelijke diensten kan
doen.
Nadat dan deze klei gewasschen , gezift, gekneed en
toteene behoorlijke dunte met water vermengd is, legt men daarvan lagen van eene
genoegzame dikte op de bodems der brooden; waardoor de vochtigheid der klei door
de brooden geheel beendringt, en alle onzuivere nog kleurende deelen in de
strooppotten doet afloopen. Deze stroop wordt gedekte genoemd, en is hooger in
waarde dan de voorgaande, welke men ongedekte noemt. Nadat de brooden dus
eenigen tijd gestaan hebben, keert men de vormen om, opdat de naar de punt
getrokkene stroopdeelen zich door het geheele brood wederom verspreiden mogen.
Hierna worden de brooden uit de vormen genomen, door afschrobben en afborstelen
gezuiverd, en vervolgens al de fijne broodsuiker in de stoof, een klein vierkant
vertrekje van steen, gebragt, om door eene gloeijend heet gestookte kagchel
gedroogd te worden.
De basterden, zijnde minder gezuiverde suikerbrooden, worden naar boven
onder het dak geplaatst, alwaar de warmte hen verder bekwaam maakt, dewijl zij
de glanzige hardheid der vorige noch verkrijgen kunnen, noch noodig hebben.
Wanneer zij hier lang gestaan, of eenen genoegzamen ouderdom hebben, worden zij
in twee ofj drie soorten gesneden, omdat deze brooden eeme ongelijke blankheid
hebben, als zijnde de bodems het witst en de topper het bruinst; en deze
verschillende soorten van gesnedeme suiker noemt men blanke basterden,
middelsoort basterden en gemeene basterdem. De dus verkregene losse of fijne
suiker wordt vervolgens in vaten gedaan, zeer veel daarvan in ons eigen land
gebruikt, en tevens in eene verbazende hoeveelheid verzonden. Deze soort van
suiker moet meer dan de volkomenst geraffineerde zoeten, omdat door alle
slijmige en gekleurde deelen weg te nemen, het meest zoete ook tevens weggenomen
wordt.
De fijnste, de blankste en zuiverste broodsuiker, ook kanariesuiker genoemd,
omdat dezelve eerst uit suiker van de kanarische-eilanden gemaakt werd, wordt
niet alleen uit de meest gezuiverde zoden voortgebragt, die met eiwit tot
schuimen gebragt en gereinigd zijn, maar bovendien ook door herhaald dekken met
weeke klei, van alle kleurgevende deelen beroofd, en in alles op het
zorgvuldigst behandeld wordt, om d ehoogst mogelijke witheid door het geheele
brood heen te bekomen.
[bron: Het Nederlandsch magazijn, ter verspreiding van algemeene en nuttige
kundigheden (Amsterdam 1836, Gebrs Diederichs)]
- [pag. 209] Over den
toestel van Degrand, om suikerhoudende sappen en oplossingen uit tedampen of te
verdikken.
Door de Fransche Maatschappij tot aanmoediging van Volksvlijt, werd, op den 30.
December 1835, aan den
[pag. 210]
heer B. Degrand, den prijs van 4000 francs
toegewezen, welken zij had uitgeloofd voor de uitvinding van den meest
doelmatig ingerigten toestel, om zout- of suikerhoudende of ook andere
oplossingen in het luchtledige (of liever onder eene verminderde drukking
van lucht of dampen) uit te dampen.
De toestel van DEGRAND strekt meer bepaaldelijk tot het uitdampen of verdikken
van suikerhoudende sappen en oplossingen. Deszelfs voordeelige aanwending in beet-
wortelen- suikerfabrieken, en in suikerraffinaderijen, is bewezen door
uitkomsten, welke de verwachting hebben overtroffen. En de uitvinding is te
belangrijker, omdat andere doelmatig bevondene toestellen, zoo als die van HOWARD,
ROTH en PELLETAN, alleen dan kunnen dienen, wanneer men over eene aanzienlijke
hoeveelheid waters beschikken kan, terwijl het gebruik des toetels van DEGRAND,
in vergelijking dier andere reeds voordeeliger geacht wordende, door zoodanige
voorwaarde geenszins beperkt is.
Even als in de toestellen van HOWARD, ROTH en PELLETAN en van anderen, wordt, in
den toestel van Degrand, de oplossing aan het zieden gebragt door middel van
stoomwarmte. De suikerpan bestaat, als gewoonlijk, uit twee op elkander
geslotene ongeveer half bolvormige stukken. Het onderste dezer stukken is
voorzien met een dubbelden bodem. De tusschenruimte der beide bodems heeft, door
middel eener pijp, gemeenschap met een stoomketel, en om de verwarming te
bevorderen vloeit de stoom (zijnde stoom van lage drukking) eveneens door eene
spiraalvormige buis, liggende binnen de pan, op haar bodem. Dit gedeelte der
inrigting van den toestel komt overeen met den toestel van Roth (vergelijk de
hoofdzakelijke beschrijving, voorkomende in het III. Deel No. 2, bladz. 255).
Om de pan te vullen met de suikeroplossing of met het geklaarde beetwortelensap,
moet allereerst de lucht
[pag. 211]
worden uitgedreven. Dit geschiedt door den stoom. Eene der stoompijpen heeft met
de suikerpan gemeenschap door een arm, welke voorzien is van eene kraan; deze
kraan geopend zijnde kan de stoom in de pan toevloeijen. Op de pan is, even als
op een destilleerketel, eene soort van helm, uit welks top eene horizontale buis
loopt, en deze buis is eigenlijk het begin van den nader te omschrijven
Verkoeler of Condensator, op welken eenige vloeistof, in een zeer verdeelden
stroom of regen kan afloopen. De stoom alzoo in de pau toe- vloeijende, zal in
den condensator overgaan, en door de kraanpijp van den cylinder, — in welken
de condensator eindigt, — uitstroomen. Bij dezen doorgang moet de geheele
hoeveelheid van lucht, welke de ruimte van de pan, van den condensator, en van
den cylinder vervulde, volkomen worden uitgedreven, en de stoom, daarna in die
ruimten blijvende, wordt, — na de sluiting der kranen zoo van de invloeijingsbuis
als van de uitvloeijingspijp, — gecondenseerd, alleenlijk door de aanraking
met de koele wanden der buizen van den condensator. Er bestaat nu een
gedeeltelijk luchtledig in de pan, en om dezelve tot het vereischte peil te
vullen met de uit te dampen oplossing of met hel te verdikken sap, worden de
kranen der pijpen geopend, door welke de pan gemeenschap heeft met de bakken of
kuipen, welke genoemde oplossing bevatten. Want bij eene niet te zeer verhevene
stelling der pan boven die brakken, zal de drukking der buitenlucht toereiken,
om de oplossing of het sap in de pijpen op te voeren en in de pan over te
storten.
Zoodra de temperatuur van de oplossing of van het sap tot het kookpunt is
gebragt, moei het gedeeltelijk luchtledig in den toestel bestendig worden
onderhouden; anders toch zou de uitdamping in de geslotene pan niel kunnen
voortgaan. In de toestellen van HOWARD, ROTH en PELLETAN,
worden de ontwik-
[pag. 212]
kelde dampen ontlast, hetzij door luchtpompen, hetzij door uitdrijving of
uitzuiging met stoom en door gedeeltelijke condensatie met water, hetzij
alleenlijk door verdikking of condensatie met water. In den toestel van Degrand
wordt de pan bevrijd van de ontwikkelde dampen door dezelve te condenseren, niet
bij onmiddellij- ke aanraking met water, maar, door afkoeling in een
condensator, op eene wijze, hebbende eenige overeenkomst met die, welke bij het
destilleren plaats vindt. Echter is deze condensator geheel verschillend van den
verkoeler eens destilleer-toestels. Hij bestaat uit twee stellen van 24 of meer
boven elkander liggende lange horizontale buizen, welker einden beurtelings
vereenigd zijn, en daarom kunnen aangemerkt worden als vormende ééne enkele
doorgaande buis, bestaande uit 24 op elkander gebogene (toegevouwde) deelen.
Elk der stellen van buizen kan op zich zelve als een condensator worden
beschouwd, daar zij in geen verband met elkander staan; en alleenlijk om de
afkoelende oppervlakte te vergrooten, zijn er twee zoodanige condensatores. Zij
zijn, eenvoudig ter ondersteuning , tusscheu verticale wanden bevat; boven
dezelve liggen twee lange driehoekige goten of langwerpige trechters, in den
hoek of bodem met vele gaatjes doorboord, door welke het water, of de voor
afkoeling bestemde vloeistof (uit een bovengeplaatsten bak in de goten
stroomende), op de bovenste buis verdeeld wordt, van dezelve op de tweede, en
achtervolgens op de onderliggende buizen, afloopt, en eindelijk weder, beneden
den bodem des condensators, in een anderen bak verzameld wordt.
Aangezien de condensator slechts door verticale wanden omgeven is, kan de lucht
onder deze wanden vrij instroomen en langs de vochtige oppervlakte der buizen
opstijgen. Door dezen onafgebroken luchtstroom wordt de uitdamping der
vloeistof, welke over de bui-
[pag. 213]
zen afloopt en derzelver warmte afvoert, bevorderd, en met deze uitdamping gaat
ook de condensatie der dampen in den condensator beter voort. Deze dampen,
ontwikkeld in de suikerpan, stijgen in den helm der pan, en gaan uit denzelven
in de beide deelen van den condensator, aangezien de bovenste der buizen van den
condensator met den helm gemeenschap hebben, zoo als boven reeds werd gezegd.
De dampen worden derhalve onafgebroken afgevoerd, en het water, uit derzelver
verdikking of condensatie ontstaande, loopt, uit de onderste der
condensatiebuizen, in een horizontalen cylinder of ontvanger, welks inhoud zelfs
grooter dan die van de suikerpan kan zijn. De evengenoemde onderste buis
is, vóór den cylinder, met eene kraan voorzien. Wanneer men deze kraan sluit,
en daarbij eene ontlastkraan, aan het andere einde des cylinders, opent, en
eindelijk ook nog de kraan eener afzonderlijke pijp, komende van den stoomketel,
zal de cylinder, door de drukking des invloeijen- den stooms, ontlast worden van
het in denzelven verzamelde water, zonder dat de voortgang der uitdamping worde
verhinderd. Na de lediging des cylinders, worden de stoom- en ontlastkranen
gesloten, en de kraan in de communicatiebuis met den condensator weder geopend,
enz. Maar de genoemde cylinder dient nog tot een ander zeer voornaam oogmerk, te
weten, om zoo wel de lucht, welke in den toestel mogt gedrongen zijn, als die,
welke, met de koolstofzure lucht, uit de oplossing uit de siroop enz. wordt
ontwikkeld, te kunnen ontvangen. Want wegens den grooten inhoud van dezen
cylinder, wordt de hier bedoelde lucht, met de naar en in den condensator
voortstroomende dampen, zeer gemakkelijk afgevoerd; en wanneer zij in den
ontvanger of ruimen cylinder is opgehoopt, geschiedt de uitdrijving gelijktijdig
met het in den cylinder afgeloopen water, op de zoo pas verklaarde wij-
[pag. 214]
ze. Na deze uitdrijving bestaat er in den cylinder een gedeeltelijk luchtledig,
en nadat hij met den condensa- tor weder in gemeenschap is gesteld, vindt de
afvoer eener op nieuw ontwikkelde hoeveelheid van lucht of damp (welke niet
gecondenseerd kan worden) zoo veel te gereeder plaats; terwijl ook hierbij de
meer volkomene condensatie der ontwikkelde waterachtige dampen wordlj bevorderd.
De suikerpan heeft wijders nog gemeenschap met een ruimen horizontalen cylinder,
uit welken de lucht, eveneens doof den stoom , gedreven kan worden. In dezen
cylinder wordt het geconcentreerde sap, de verdikte oplossing of de siroop, na
de uitdamping, ontvangen. Hiertoe wordt eerst de lucht uitgedreven; de
stoomkraan vervolgens gesloten zijnde, worden twee andere kranen geopend, te
weten de kraan der pijp, gaande uit den bodem der pan naar den cylinder, en eeue
kraan, aanwezig in eene andere pijp, door welke de cyliuder in gemeenschap wordt
gesteld met den helm der pan ; waarna de siroop in den cylinder zal moeten
afloopen. Uit den cylinder kan de siroop, of het geconcentreerde sap, in een
ontvanger of vergaderbak worden afgegoten; uit dezen in de filtreertoestellen,
enz. Op deze wijze wordt de suikerpan geledigd, en onmiddelijk daarop weder
gevuld, zonder dat er lucht in den toestel dringt, of zonder dat, voor eene
volgende uitdamping, de ont- lediging van lucht zal moeten vernieuwd worden.
De werking van den hoofdzakelijk omschreven toestel gaat derhalve onafgebroken,
zonder verlies van tijd » en ook met een minst verlies van warmte, voort,
en van het begin tot het einde der bewerking, kan het luchtledige, zonder den
gang der uitdamping te storen, steeds tot denzelfden graad worden onderhouden.
In deze opzigten biedt de toestel van DEGRAND reeds
voordeelen, welke, in het algemeen, bij andere gebruike-
[pag. 215]
lijke toestellen niet evenzeer bestaan. Ook ten aanzien der tosten van
oprigting, van onderhoud en van brandstofverbruik, is het voordeel overwegend ,
voornamelijk in vergelijking van de kosten der toestellen van Howard en van
Roth. Een voordeel evenwel van meerder belaag, is gelegen in de bijzondere
omstandigheid, dat, bij het raffineren van suiker met den toestel van Degrand,
eene betrekkelijk zeer geringe hoeveelheid van water wordt gevorderd, en dat
deze hoeveelheid minder is dan die van het gedestilleerde water, uit de
gecondenseerde dampen in den bovengenoemden cylinder of ontvanger verzameld. Het
is dan ook dit, door de uildamping gevormde, water, van hetwelk, bij het
raffineren van suiker, gebruik wordt gemaakt, om den condensator te verkoelen.
Want hoezeer hetzelve, na uit den ontvanger of cylinder afgeloopen, en
vervolgens in den, boven den Condensator geplaatsten, vergaderbak , opgepompt te
zijn, nog laauw-warm kan wezen, wordt deze warmtegraad beduidend verminderd,
doordien het het water, als een regen, zeer verdeeld , op de buizen van den
condensator afloopt, en zelve uitgedampt wordt. Wilde men echter van het water,
uit den ontvanger van den toestel verkregen, een ander gebruik maken , zoo kan
voor de condensatie der ontwikkelde dampen, ook het slechtste water worden
gebezigd, terwijl de benoo- digde hoeveelheid altijd nog gering blijft, in
vergelijking van die, welke men behoeft bij de aanwending der toestellen van Howard,
Roth en Pelletan.
Maar een dubbeld voordeel wordt met den onderwerpelijken toestel verkregen in de
beetwortelen suikerfabrijken. Want in dezelve is
het geen water, dat men langs de oppervlakte van den condensator doet afloopen,
maar het geklaarde beetwortelensap zelve. Dit sap toch, de warmte van de
ontwikkelde, en in de buizen van den condensator voortstroomende, dampen
ontvangende of opnemende, ten einde dezelve te verdik-
[pag. 216]
ken, ondergaat daarbij zelve eene eerste uitdamping int de vrije lucht. Hetzelve
loopt alzoo, reeds merkbaar verdikt, van den bodem des condensators in de verga-
derbakken, uit welke de suikerpan telkens gevuld wordt. Deze pan ontvangt
derhalve een geconcentreerd sap, en de warmte, welke anders (of bij het
raffineren) verloren gaat, wordt hier voor het grootste gedeelte benuttigd. Deze
warmte is die, welke door het sap, aan de oppervlakte van den condensator, wordt
opgenomen , en welke, bij de uitdamping, in de luchtledige pan bestaat; door
dezelve zou deze uildamping nagenoeg kunnen veroorzaakt worden, en daarom moet
ook de nuttige uitwerking ongeveer verdubbeld worden. De ondervindingen staven
dit volkomen; want met de grootste helft der hoeveelheid van brandstof, welke
verbruikt wordt, indien de condensator met water wordt bevochtigd, kan altijd,
wanneer, tot deze condensatie, het eerst geklaarde sap zelve wordt aangewend,
dezelfde hoeveelheid van sap tot denzelfden graad worden verdikt.
[bron: Maatschappij-belangen, Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en
Handel (Haarlem, 1837)]
(c) Dordrecht 2009 (http://www.dordtenazoeker.nl)