DEEL 1:
PAPENDRECHT EN 300 JAAR FAMILIE VISSER: BOEREN, BURGERS EN AANNEMERS

door H.W.G. van Blokland-Visser
Aannemerstak Visser Papendrecht, Gebroeders Visser 1868-1890 (deel 2)
Het is 30 september 1998 130 jaar geleden dat Mees Visser Gerritz als aannemer een werk buiten Papendrecht aannam namens zijn vader en broers, die dan gezamenlijk het werk uitvoerden. Bij navraag of zij een opdracht wel goed hadden uitgevoerd, werden zij Gebroeders Visser aannemers te Papendrecht genoemd.
Mees nam de eerste jaren het meeste werk aan, in mindere mate Adriaan en na 1878 ook de jongste broer Jan. Martinus bleef tot 1890 als uitvoerder bij zijn broers in dienst, evenals Pleun, als metselaar/voorman. (Zij bezaten door huwelijk niet voldoende financiŽle middelen om een werk aan te nemen)
De Vissers hadden meestal een groot werk of twee kleine werken onderhanden en Mees, Adriaan en Jan beschikten ieder over een eigen stoomheikar binnen het bedrijf. Jan, de Jongste, had al wat doorgeleerd en maakte voor verscheidene werken als architect het ontwerp. Bij grotere werken ging men er al gauw toe over om dat in combinatie met een andere aannemer te doen.
Enkele werken waren:
in 1878, bij Everdingen met D. van der Tas, aannemer te Rotterdam / Charlois, en Arnoldus Jan Schouten, aannemer te Alphen a.d. Rijn.
1879: Werk bij Vianen met Isaak van der Velden & Co, Baggermij te Papendrecht, en opnieuw Arnoldus Jan Schouten.
1886: Werk te Zutphen met Huibert de Borst, aannemer te Papendrecht.
1887: Werk te Haarlem met H. van Rhijn & Co, aannemer te Gorcum.
1889: Werk te Amsterdam met C. Bos Azn, Baggermij te Dordrecht.
Omdat de familie niets heeft bewaard aan dokumenten zijn de gegevens schaars, maar uit enkele notulen en verslagen kwamen de Gebs. Visser over, zoals genoemd, als ongemakkelijke mensen die zich niet gauw lieten afschepen, maar daarentegen ook zo eerlijk waren om gebreken e.d. toe te geven. Ruim twintig jaar lang kregen zij werk van dezelfde opdrachtgevers, wat toch wil zeggen dat zij een goede naam hadden.
visser_21a.jpg (28662 bytes) visser_21b.jpg (29856 bytes)
(7 nov 1889, J. Visser Gz, aannemer te Papendrecht)
(Staande links: de opzichter van Rijkswaterstaat; rechts-achter: Gerrit Klootwijk; zittend v.l.n.r. Mees Visser (geb. 1835), Adriaan Visser (geb. 1839), Jan Visser (geb. 1851))
De diversiteit van hun werken was groot. Zij bouwden even gemakelijk een watertoren als stoomgemalen, scholen, gemeentehuis, kadewerken, havenwerken of fundaties van gashouders. Ook bleven zij niet dicht bij huis, maar werd er overal gebouwd, zoals in Vlissingen, Goes, Katwijk, Haarlem, Amsterdam, Nederhemert, Mastenbroek, Zutphen, Strijen en Dordrecht. Na het overlijden van vader Gerrit in 1885 gingen de broers zich steeds meer afzonderlijk specialiseren. Adriaan ging een compagnonschap aan met Gerrit Klootwijk, die eerst uitvoerder was bij de Gebrs. Visser van heiwerken en fundaties. Mees bleef bij de bouw van stoomgemalen (en onderbouw bruggen en werk aan kanalen) en had zoons die al meewerkten. Jan richtte zich steeds meer op het baggerwerk en nam nogal eens een werk aan met een groot risico.
Tussen de broers ging het steeds meer rommelen en het werd moeilijk om de vrede te bewaren. Martinus en Pleun kregen intussen ook grote zoons, die meewerkten en voor zichzelf wilden beginnen. In 1880 werd nog gezamenlijk een werk aangenomen, nl. een stoomgemaal bij Sluipwijk/Reeuwijk voor en bedrag van f 19.190. Daarna gingen de broers ieder hun eigen weg, al stonden zij elkaar wel bij als borg als dat nodig was.

Enkele verslagen van werken van de GEBOEDERS VISSER

In 1879 besloot het Hoogheemraadschap Rijnlanden een stoomgemaal te bouwen in Katwijk bij de grote uitwateringssluis. Het werk werd begroot op een bedrag van f 280.000. De stoommachines werden in Duitsland besteld voor f 42.000. Onder de inschrijvers voor het werk bevonden zich ook Jan Visser Gzn, aannemer te Papendrecht (28 jr.) en Arnoldus Jan Schouten (37 jr.), aannemer te Alphen a.d. Rijn, met de laagste inschrijving, t.w. f 213.780. Op 2 januari 1880 werd hun het werk gegeund. De hoofdingenieur van Rijnland, ir E.F. van Dissel, informeerde toch voor de goede gang van zaken naar het werk van de Gebrs. Visser in Kampen en naar een stoomgemaal in Mastenbroek dat ze in 1878 hadden gebouwd. Het antwoord was gunstig.

visser_22.jpg (68371 bytes)
(30 december 1879; Balans opgemaakt den 5 Juli 1881 door Visser & Schouten betreffende het stoomgemaal te Katwijk a/Zee)

Jan deed de berekening nog eens over en bemerkte al gauw dat hij de aanneemsom te laag ingeschreven had. Hij vroeg daarop een verhoging van het bedrag van f 23.000, en of zij hem als dat niet mogelijk was wilden ontslaan van hun inschrijving. Het bestuur ging echter akkoord met de verhoging.
De borgen bij dit grote werk (want, wat zou het omgerekend in de tegenwoordige tijd wel niet kosten!) waren: Mees Visser Gzn, aannemer te Papendrecht en Willem Antonie Luyten, grootgrondbezitter te Lekkerkerk.
Willem was de schoonvader van Arnoldus Jan Schouten, die in 1843 was geboren te Dordrecht als zoon van Jan Schouten Janz, houtkoopman te Dordrecht, en Louise Hayse van Hattem. Arnoldus was eerst aannemer te Alphen a.d. Rijn en in 1886 in Gouda. De familie Schouten was zeer welgesteld en zat in de scheepsbouw en de houthandel te Dordrecht. Opa Schouten (1786-1852) was een markant figuur in Dordrecht en lid van de Tweede Kamer. Arnold Jan trouwde met Jacomina Adriana Luyten, geb. 1842 te Lekkerkerk.

Jan had al eerder een werk aangenomen met Arnoldus Jan Schouten; nl. in 1878 bij Everdingen en tot 1890 zou hij dat blijven doen.
De hoofdingenieur van Rijnland, ir. E.F. van Dissel, had de leiding over het werk en werkte later nog vele malen met de Gebrs. Visser samen. Opzichter was L.A. van Mels en de geldzaken werden geregeld door bankier Zadoks & Zn te Dordrecht.
Het was een moeilijk werk zal vlak bij zee en 1.80 m onder A.P. Zij kwamen al gauw in de problemen en hadden te kampen met slechte weersomstandigheden. In oktober/november 1880 konden zij weken niet werken vanwege zware regenval. Bovendien kwam er een late winter achteraan, want op 2 maart lag er nog ijs in het kanaal en kon er met de schepraderen niet proefgedraaid worden.
Zij kregen het werk dan ook niet op tijd af, maar ontvingen toch hun voorschot op de aanneemsom. De verliezen liepen evenwel op tot f 27.000 en zij hadden niet voldoende middelen om het erk voort te zetten. Vader Gerrit verkocht nog wat land en een paar huizen, maar het lukte niet en in juli 1881 gaven Jan en Arnoldus de opdracht terug. Ze schreven dat het verlies en het te laat klaar zijn met het werk niet zozeer de tegenspoed was, maar dat zij het werk te laag hadden berekend.
Het bestuur gaf hen evenwel nog een voorschot en zij konden zo het werk toch nog afmaken. Het stoomgemaal heeft tot begin jaren vijftig in Katwijk gestaan.

visser_23.jpg (48445 bytes) (Stoomgemaal te Katwijk, 1879-1881, gebouwd door Gebrs. Visser te Papendrecht)

De Gebroeders Visser lieten zich door alle vorige tegenspoed niet ontmoedigen en schreven weer in voor een groot werk, namelijk de bouw van een watertoren te Dordrecht.
In december 1881 kon er ingeschreven worden. Het ontwerp van de watertoren was gemaakt door de directeur van gemeentewerken te Dordrecht, dhr. J.A. van der Kloes, en de opdrachtgever was de gemeente aldaar.
Er moesten 350 palen van 14 meter onder de toren geheid worden en het waterreservoir lag op 24 meter hoogte. Opzichter bij het werk was civiel ignenieur J. Meyes JWzn. Het werk moest 15 februari 1883 klaar zijn, tenzij weersomstandigheden dit onmogelijk maakten.

visser_24a.jpg (32240 bytes) (Watertoren te Dordrecht, 1882-1883, gebouwd door de Gebrs. Visser te Papendrecht)

Voor het maken van de watertoren en het ketelhuis voor een hogedruk waterleiding schreven de volgende aannemers in:
L. de Rooy, Den Haag f 138,900; W. Lammers, Strijen f 129.458; C. Meyers, Den Haag f 125.990; Jan Smit III, Slikkerveer f 119.800; W. Boomstra, Moordrecht f 119,800; H. Degens, Dordrecht f 114.875; N. Klaus, Dordrecht f 109.989; de wed. G. Camesi & Co, Rotterdam f 109,800; P. Verbrugge, Waddinxveen f 108.632; H. Stelwagen, Rotterdam f 104.100 en J. Visser Gzn, Papendrecht f 95.726.

Ook schreef Jan in voor de bezinkvijvers, voor f 88.400. Hij had allerlei onderzoek naar nieuwe methodes gedaan. Het bedrag werd echter te hoog bevonden en er vond een herbesteding plaats. Er was slechts 1 aannemer die zich aanbood voor een lager bedrag en die het werk in 4 1/2 maand kon doen, nl. aannemer Bouterse.
Jan vorozag al allerlei problemen met deze aannemer Bouterse en zag ook dat deze zich niet aan het bestek hield, waardoor zijn werk ook in de problemen kwam. Hij waarschuwde de directeur van gemeentewerken en kwam met andere voorstellen, die echter werden afgedaan met "moeilijk gedrag". Er kwam evenwel een hoorzitting bij de gemeenteraad. Toen het werk klaar was bleken er namelijk diverse fouten te zijn gemaakt. Aannemer Bouterse kreeg een deel van de aannemsom niet uitbetaald en een ander moest het werk herstellen. De directeur van gemeentewerken zag geen andere keus dan af te treden en Jan Visser Gzn werd in het gelijk gesteld.

Het laatste gezamenlijke werk van de gebroeders Visser, 1890

Op 2 april vond er een aanbesteding plaats voor de bouw van een stoomgemaal aan de Vogelesangse watering bij Sluipwijk/Reeuwijk. Opdrachtgever was het polderbestuur van Broekvelder en Vettebroekpolder. Voorzitter was H. Vis, secretaris: D. Kruyt. Inschrijvers waren: P. Verbrugge te Waddinxveen f 24.864; C. van Tilburg te Nooddorp f 21.500; H.J. Nederhorst, Gouda f 21.187; W. Bokhove, Gouda f 20.580; C.P.W. Dessing, Gouda f 20.500; C. Romijn, Haarlem f 20.479; J. Visser Gzn, Papendrecht f 19.870; A. Michael Jzn, Aalburg f 19.800; G. Boot, Reeuwijk f 19.750; S. van Soest, Mijdrecht f 19.547; A. van Soest, Kockengen

visser_24b.jpg (71306 bytes) (Het laatste werk. Stoomgemaal, gebouwd door de Gebrs. Visser. Aannemer: Mees Visser Gzn.)

f 19.500; Mees Visser, Papendrecht f 19.190; welke laatste zeer gunstig bekend stond, ook wat de borgen betrof, bij de hoofdingenieur van Rijnland, it. E.F. van Dissel. Deze was tevens opzichter bij het werk en had veel met de gebroeders samengewerkt. Mees Visser kreeg de opdracht.

De stoomketels en machines werden besteld bij de Phoenix fabriek te Gent.
Uit het notulenboek van het polderbestuur:
25 sept. 1890: De aannemer (Mees Visser) van het gebouw van het stoomgemaal is niet van plan schade te lijden omdat de machines niet op tijd klaar zijn vanwege de staking in Gent bij de fabriek. Hij kan niet verder met zijn werk. Er is een advocaat in de arm genomen, mr. J. Fortuyn Drooglever en de borgen zijn ingelicht.
(Volgens de voorwaarden in het bestek kan de aannemer hiervoor geen vergoeding krijgen en is dat eigen risico, tenzij het bestuur anders beslist)
24 oktober: Mees doet zijn beklag bij het polderbestuur over de al geleden schade. Hij kan niet verder met de bouw totdat de ketel en de machines er zijn. (Er is overleg met mr. Fortuyn Drooglever geweest)
De hoofdopzichter, ir. Van Dissel, wordt naar Gent gestuurd om te kijken hoe het er voor staat bij de Phoenix fabriek. Op 29 november zullen de machines afgezonden worden en 5 december zullen zij op de plaats van bestemming zijn. 
30 april 1891: Mees Visser krijgt een schadevergoeding van f 925.-. Er staat niet in de notulen of hij hier genoegen mee heeft genomen.

Erg veel materiaal hadden zij niet. Wel hadden de broers werven buitendijks met een loods voor opslag en reparatie, een werkplaats, kruiwegens, kruiplanken, een speciemolen, speciekuipen, ladders en steigermateriaal, een keet om in te verblijven, enkele platte bakken voor vervoer over water, 4/5 stoomheikarren met een Hollandse stelling, diverse heiblokken, een heistelling, palen, enz.

Papendrecht 1868-1890
Het dorp begon langzaam te veranderen. Was het eerst een boerengemeente, nu kwamen er steeds meer scheepswerven, o.a. van de families Verheul, Van der Esch en Duyvendijk. Ook het aantal beurtschippers nam toe. De eerste aannemer in het dorp was Huibert de Borst, die in 1862 werk aannam voor het aanleggen van een strekdam in de Maas. Later ging hij samen met zijn broer Adriaan en Cornelis het baggerbedrijf in en maakten zij de onderbouw voor bruggen. Huibert was van 1826, zoon van Cornelis de Borst en Maaike Verdoorn en getrouwd met Pieternella Visser. Hij had in de Visschersbuurt buitendijks een werf met opslag en in de Gantel erachter lagen zijn schepen.
In 1871 kwam vanuit Breskens de baggeraar Isaak van der Velden met zijn bedrijf naar Papendrecht. Hij woonde met zijn gezin op Kerkbuurt 112 en had een werf bij het Slobbengors. Daar lagen ook de schepen, die de naam Holland droegen. Zijn zoon zette het bedrijf later voort. Ook kwam er een machinefabriek en wel aan de Noordhoek. In 1880 vroeg C.J. Wilton van Reede de gemeente toestemming er een machinefabriek te mogen vestigen om stoomwerktuigen e.d. te mogen maken. Er kwamen een bankwerkerij, draaierij, modelmakerij, smederij en een ketelmakerij.

Mees Visser Gerritsz, metselaar/aannemer 1835-1908 te Papendrecht
Mees groeide op aan het Oosteind en leerde het vak van zijn vader, dat van metselaar. Hij werkte samen met zijn vader en broers in de huizenbouw, de aannemerij, als Gebroeders Visser en ging na 1890 zelfstandig verder.
In 1861 trouwde hij te Papendrecht met Helena Kraal (1834-1900) uit het Westeinde te Papendrecht, dochter van Joan Kraal Barendsz (Boer) en Neeltje Matena Ariense. Ze gingen in het Oosteind wonen, maar toen er een paar jaar later onenigheid ontstond met zijn vader vertrok Mees met zijn gezin naar Sliedrecht. Die onenigheid werd toch weer bijgelegd en in september 1868, het jaar waarin Mees en zijn vrouw ook erfden van zijn schoonouders, nam hij namens de Gebrs. Visser als aannemer het eerste werk aan buiten Papendrecht. Hij was toen 32 jaar. Het betrof de bouw van een school met onderwijzerswoning te Goudswaard.

visser_26b.jpg (20174 bytes) (Mees Visser Gz 1835-1908)[Fotograaf H.J. Tollens C.Hzn, Dordrecht, Voorstraat 289; foto ca 1890]
visser_26a.jpg (20004 bytes) (Zijn echtgenote Helena Kraal, 1834-1900)[Fotograaf H.J. Tollens C.Hzn, Dordrecht, Voorstraat 289; foto ca 1890]


Zijn hart trok toch naar Papendrecht en Mees bouwde voor zichzelf buitendijks een nieuw huis aan het Oosteind. Eveneens dat jaar 1868 bouwde Mees in het eigen dorp een stoomgemaal, een flinke klus. Ze werksten intussen met een stoomheistelling en volgens een afgifte van het stoomwezen bezat hij in 1878 twee stoomheistellingen, die op Mees' naam staan.
Mees bleef een eenvoudig man, was rustig van aard en hield niet van uiterlijk vertoon. Uit een belastingopgave uit 1883 blijkt dat zijn interieur eenvoudig was, f 80 waard, tegen dat van zijn broers f 300. Mees had een groot gezin en een vrouw die nogal opvliegerig van aard was. Zij maakte soms zo erg ruzie dat zij door de politie aangehouden werd en een boete kreeg van f 1,- voor 'eenvoudige belediging'; wat dat inhield wordt niet vermeld. Ook hield Mees er niet van in besturen e.d. te zitten.
In 1900 woonde hij als weduwnaar aan het Westeind en had daar zijn gescheiden dochter Neeltje in huis, alsmede zijn zoon Adrianus, die weduwnaar was, met diens zoontje. In 1890 werkten er vier zoons van hem in het bedrijf en vanaf dat jaar nam hij samen met zijn zoon Teunis Johannes werken aan. Tot 1904 blijft hij aannemer en bouwde de HBS aan de Oranjelaan te Dordrecht, werkte bij het Merwedekanaal in Utrecht en maakte sluiswerk, herstelde glooiingen en remmingwerk van draaibruggen in kanalen te Zuid-Beveland. Zijn zoon Gerrit had vanaf 1890 een eigen sleepboot.
In 1904 kocht Mees binnendijks grond van de familie Hello in de Visschersbuurt voor f 2045, waar zijn zoon Teunis Johannes een nieuw huis bouwde. En aan de overkant buitendijks aan de Gantel, waar de werf kwam, met opslag van materiaal, want Teunis was net als zijn vader aannemer. Mees woonde tot zijn overlijden in 1908 bij zijn zoon in. Zijn zoon Adrianus ging in zijn vaders huis aan het Westeind wonen. Ook hij was aannemer. Twee andere zoons, Mees en Gerrit, gingen in Dordrecht wonen en hadden eigen schepen en sleepboten in de vaart. De zoons Pieter en Johan waren bij hun vader in dienst; de eerste als schipper en de tweede als timmerman.

De kinderen van Mees en Helena waren:
- Gerrit (1862), schipper, huwt Willemina Giffard, naar Dordrecht, 1 zoon;
- Neeltje (1864), huwt 1892 Cornelis Visser (gesch. 1900), geen kinderen;
- Johan (1866-1909), timmerman, huwt Maria Snijders te Waalwijk, 1 zoon, 1 dochter;
- Mees (1869 Sliedrecht), schipper, huwt 1895 Hendrika Vos, naar Dordrecht;
- Teunis Johannes (1871), timmerman/aannemer, huwt 1864 te Wemeldingen Maria Kole (gesch. 1916);
- Pieter Cornelis (1872), schipper, huwt Pietertje Hartmeyer;
- Adrianus (1876), timmerman/aannemer, huwt 1901 Hermijntje Hardam.

Jan Visser Gerritzn, architect/aannemer 1851-1913 te Papendrecht
Jan werd geboren en groeide op in het Oosteind. Hij was het nakomertje in het gezin en scheelde zestien jaar met zijn oudste broer Mees. Als enige in het gezin keerde hij wat door, aan de avondtekenschool te Dordrecht. Jan maakte als architect sommige ontwerpen voor de Gebrs. Visser, zoals inn 1874 voor de westelijke en oostelijke school van Papendrecht en voor het eerste gemeentehuis aldaar. Ook was hij borg voor werk dat zijn broer Mees in 1876 te Schipluiden had aangenomen; hij was toen pas 25 jaar.
Jan trouwde in 1878 met Heiltje Rijshouwer (1851-1939), dochter van Maria Veth en een welgestelde korenmolenaar, Pieter Antonie Risjhouwer, eigenaar van de korenmolen aan de kerkbuurt te Papendrecht. Hij woonde de eerste jaren van zijn huwelijk aan het Oosteind. In 1879 werd Jan aangesteld als gemeenteontvanger. Dat jaar nam hij ook zijn eerste werk aan namens de Gebroeders Visser,

visser_26c.jpg (18550 bytes) (Jan Visser Gzn, 1851-1913, architect, aannemer, gemeenteraadslid)[Fotograaf Gideon M. Brugman, Voorstraat 102, Dordrecht; foto ca 1910]
visser_26d.jpg (19882 bytes) (Heiltje Visser-Rijshouwer)[Fotograaf Gideon M. Brugman, Voorstraat 102, Dordrecht; foto ca 1910]


nl. te Everdingen, samen met Arnoldus J. Schouten, aannemer te Alphen a.d. Rijn, en Isaak v.d. Velden, baggeraar te Papendrecht. Jan bezat dan ook een eigen heistelling op stoom. Hij was de meest bevlogen en vooruitstrevende van de broers en durfde nogal eens risoco's te nemen die anderen te ver gingen. Jan droeg niet allen nieuwe ideeŽn aan, maar voerde ook grote werken uit, zoals het stoomgemaal te Katwijk voor f 236.000 en de watertoren te Dordrecht voor f 95.000. Hij behoorde al gauw tot de notabelen van het dorp.
Zijn vrouw kwam uit welgestelde, wat wereldse

visser_27a.jpg (51638 bytes)
(Het gezin van Jan Visser Gzn (1851-1913). V.l.n.r. achter: Jan Visser Gzn en zijn vrouw Heiltje Visser-Rijshouwer, met baby Philippina op de arm en het kindermeisje. Vooraan v.l.n.r.: Gerrit (1881), Pieternella (1886), met kruiwagen Pieter (1887), Maria Pieternella (182). Tussen Jan Visser en Pieternella: Hendrik (1879). Foto ca. 1890.)
(Woonhuis van Jan Visser Gzn, Bosch 49/51 te Papendrecht

kringen. Beiden waren vooruitstrevend. Het echtpaar werd door de andere broers als veel te werelds beschouwd en dezen hadden veel kritiek op hen. Hun huis was duurder ingericht; het duurst van de broers, volgens de belastingopgave van f 400,-. In 1868 gingen Jan en zijn vrouw van het Oosteind weg en aan het Bosch wonen, tegenover het gemeentehuis en naast de burgemeester. Jan was intussen lid van de gemeenteraad geworden. Achter zijn houten woning (Bosch 49/51) liet hij een stenen gebouwtje neerzetten, waar warm water gestookt kon worden, de was gedaan en in bad gegaan werd.
Jan vond dat de Gebroeders Visser ook het baggerwerk in konden gaan en schafte een eigen baggerschip aan. Hij had ook een eigen werf in de Kerkbuurt, buitendijks tegenover de korenmolen. Er stond een loods op voor de bouwmaterialen en er was een haven waar zijn schepen lagen.
Als het aan Jan gelegen had, met zijn nieuwe ideeŽn en ondernemerschap, was Papendrecht een tweede Sliedrecht geworden, maar hij was voor dit toch nog boerendorp zijn tijd te ver vooruit. Na 1890 nam hij als zelfstandig aannemer steeds meer baggerwerken aan, bijv. het kanaal door Zuid-Beveland en in het Merwedekanaal. Zijn zoon Gerrit Pieter Antonie kwam bij hem in het bedrijf werken, zoon Hendrik Cornelis had een eigen technisch bureau. Dochter Maria Pieternella trouwde in 1903 met Antonie van Rossum - van Van Rossum's motoren te Papendrecht. De laatste jaren van zijn leven deed hij het wat rustiger aan; hij was hartpatiŽnt, en overleed in 1913 op 62-jarige eleftijd. Zijn vrouw oveleefde hem 26 jaar.

Kinderen Jan en Heiltje:
- Hendrik Cornelis (1879-1948), werktuigkundige, huwde 1910 Adriana de Kok, 1 dochter;
- Gerrit Pieter Antonie (1881-1946), aannemer, huwde 1913 Elisabeth P. van Bommel, 1 zoon en 1 dochter;
- Maria Pieternella (1882-1955), huwde 1903 Antonie van Rossum, 2 zoons, 4 dochter;
- Pieternella Elisabeth (1886), ongehuwd;
- Pieter Antonie (1887), ongehuwd;
- Philippina Jenneke (1890), ongehuwd;

Bron: gegevens komen uit de archieven van het Hoogheemraadschap Leiden; Gemeentearchief te Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht; boek over het stoomwezen door J.A.W. Nieuwpoort.

De volgende aflevering gaat over de andere drie van de Gebroeders Visser, nl. Martinus, Pleun en Adriaan Visser en de derde generatie aannemers Visser, vanaf 1890-1930
Tot slot nog een impressie over het leven in die tijd

Wat sjouw jij?

Werken bij een aanemer of baggermaatschappij werd door grote delen van de bevolking uit deze Merwestreek gedaan. Het was een zwaar beroep. Zij werden in deze regio buitenafwerkers genoemd, in andere delen van Nederland heetten ze polderjongens. Uit onze streek kwamen ook de vakmensen vandaan voor de grote werken, die gespecialiseerd waren als heier, boormeester of metselaar. Meestal kwamen zij uit hetzelfde dorp of als de aannemer of uit zijn buurt.
De losse arbeiders werden ter plaatse van het werk aangenomen, een men woonde zolang in een keet. De vrouw van de putbaas/uitvoerder ging soms mee als het een groot werk betrof en zorgde dan voor het eten.
Deze buitenafwerkers werden ontslagen als er 's winters niet gewerkt kon werden. Op enkele mannen na, die het materiaal onderhielden, de anderen kwamen de winter door met griendwerk of hoepmaken.
Losse werkkrachten in deze streek, die van alles en nog wat konden, werden sjouwerman genoemd. (Men zegt hier in deze streek ook nog steeds als er gevraagd wordt wat doe je tegenwoordig: wat sjouw jij tegenwoordig?)
(Gegevens uit een boek van drs. P. den Breejen)

Buitenafwerkers
Men begon het werk als buitenafwerker op de leeftijd van ongeveer 19 jaar omdat er in ploegen van 12 ŗ 13 colwassen mannen gelijk op gewerkt werd, als dijkwerker, kanaalgraver, wegenbouwer, enz. Massastakingen in de jaren 1885-1895 en de toenemende onrust onder de arbeiders, de ontslagen die vielen door de mechanisering, noodzaakten de regering om een officieel overheidsonderzoek naar deze arbeiders te doen. Een enquetecommissie onderzocht de werkomstandigheden, verdiensten e.d. Hierdoor kwam de verandering van de sociale omgeving op gang, zij het heel langzaam.

We lazen een verhaal over Adriaan de Block, 27 jaar en ploegbaas bij aannemer Van Hattem uit Sliedrecht (1888). Hij was op zijn 14e begonnen met werken, maar nog niet in een ploeg. Nu was hij getrouwd en verbleef met zijn vrouw in de keet. Zij zorgde daar voor vijftien man, kookte voor hen en hield de boel schoon en heel voor 30 cent per week. Het eten werd iedere week afzonderlijk verrekend. De bedden waren van stro en een ieder nam zijn dekens en lakens van huis mee. De mannen lagen er als haringen in een ton te slapen. Zijn vrouw en hij hadden een afzonderlijk vertrek.
Als het regende was het binnen niet veel beter dan buiten. Binnen was het dan ťťn bonk slijk. Ze doken dan ook dikwijls zo uit de klompen of vetleren [.....]

visser_28.jpg (125842 bytes)
(Buitenafwerkers in dienst van Martinus Visser Gzn, ca 1893, bij de bouw van een stoomgemaal. De vrouw van de uitvoerder staat er ook op (tweede van links op het muurtje). Verder de voltallige heiploeg.)

(C) Papendrecht mei 2008 H.W.G. van Blokland-Visser