I Jan Paulusz Visser, geb. ca 1640, boer te
Sliedrecht, overl. ca 1704 Sliedrecht, tr. Ottoland 1672 Neeltje Baan
Meesd, geb. Ottoland 1642.
Hun gezin bestaat in ieder geval uit drie zoons:
1. Pieter (II), geb. ca 1672, in 1703 te Sliedrecht gehuwd met Ariaantje
Ariens Eikelenboom;
2. Paulus, geb. ca 1675, te Sliedrecht gehuwd met Annigje
Leenderts Schram; zij wonen aldaar in 1730 op nr. 251 in een
'bouhuys' (=boerderij) en hebben 3 zoons en 1 dochter;
3. Pleun, geb. ca. 1680, te Sliedrecht getrouwd met Annigje
Ariens van der Wiel. Zij wonen in 1730 te Sliedrecht op nr. 264, in
een 'bouhuys', en hebben 1 zoon en 2 dochters. Gegevens van voor 1704
over dit gezin ontbreken omdat de doop-, trouw- en begraafboeken van
Sliedrecht van voor 1704 zijn verbrand.
II Pieter Jansz Visser
Pieter, geb. ca. 1672 te Sliedrecht, zal zijn vrouw wel ontmoet
hebben in Gijbeland, waar de familie van zijn moeder woonde. In jan.
1703 gaat hij in Brandwijk in ondertrouw met Ariaantje Eikelenboom,
jonge dochter van Gijbeland. Zij trouwen op 28 januari 1703 te
Sliedrecht. Ariaantje is ca. 1680 geboren als dochter van Arien
Pieters Eikelenboom en Grietje Cornelis Eikelenboom.
(uit trouwboek van Brandwijk)
Pieter is boer, net als zijn broers, en woont in 1730 in een
'bouhuys', nr. 261 te Sliedrecht (ergens tussen de Grote Kerk en de
Oosterbrug) in de wijk Naaldwijk.
Hun kinderen zijn:
- Pleuntje (1704)
- Aertie (1705)
- Mees (III) (1707); huwt in 1735 te Papendrecht Ariaantje Ariens
Stolk
- Grietje (1712); bij de doopaangifte op 9-10-1712 te Sliedrecht wordt
voor de eerste keer Visser achter de naam van de vader gezet. Zij
huwt Ary Pieters Bot.
- Marichje (1715) huwt in 1738 te Papendrecht Joost Jacobs van Hofwegen;
- Arien (1722) huwt in 1746 te Sliedrecht Jannigje Verhoef; zij hebben 5
zoons en 1 dochter.
(Eerste keer Visser als achternaam (uit doopboek van Sliedrecht))
Ariaantje en Pieter maken met hun gezin twee keer een watersnood mee;
één in 1709 en één in 1726. Sliedrecht heeft rond 1730 zo'n 2200
inwoners en is een redelijk grote plaats met 285 huizen, een opkomende
stand van aannemers, griend- en rijshouthandelaren, alsmede een redelijk
grote stand van boeren. Het tweetal is meermalen doopgetuige geweest bij
de broers van Pieter: Paulus en Pleun. Pieter overlijdt vóór 1732,
zijn vrouw wordt ongeveer 80 jaar en overlijdt in 1763 te Sliedrecht.
(12 juni 1707 (doopinschrijving van Mees in het
doopboek van Sliedrecht))
III Mees Pietersz Visser
Mees wordt gedoopt op 12-6-1707 te Sliedrecht en is net als zijn
vader boer. Hij trouwt in 1735 te Papendrecht met Ariaantje Stolk.
Zij is op 16-2-1710 gedoopt te Papendrecht en d.v. Arien Coene Stolk
en Maayke Cornelis de Koningh.
Ariaantje is een boerendochter die aan het Oosteind woont en de
jognste uit een gezin van zes kinderen. Haar vader sterft vóór 1730,
want op de lisjt van woningen te Papendrecht staat bij huisnr. 8:
"de weduwe Arien Coene Stolk, Bouhuys met agterhuys"
(zelf bewoond) en zij hebben nóg een huisje buitendijks.
Het jonge stel zal de boerderij wel voortgezet hebben, want op de lijst
van huizen en land 1753 heeft Mees Visser een huis op nr. 8 en land.
Mees betaalt dan aan belasting over het huis de 100e penning en over
zijn land dijkrecht en ebschouwen een bedrag van f 49.
Er staan in die tijd 158 huizen in Papendrecht, 8 burgerhuizen plus
schuur en stalling, 82 arbeidershuisjes en 67 boerderijen. In de
Kerkbuurt staat op nr. 57 het huis van de Vrijheer van Papendrecht, op
nr. 60 het schoolhuis, nr. 61 de kerk, nr. 70 de korenmolen (nu
Kerkbuurt 120) en nr. 73 het predikantshuis. Verder heeft de gemeente
een 'Ponte veer', met op nr. 88 bij het pontveer 'Huys en stalling' en Hendrik
van de Kevy. Op nr. 89 'Tras- en olymolen' van eigenaar Willem
Bey. Aan het Oude Veer 99: herberg/regthuys van Johannes Kuyper;
Hoek Veerstoep/Westeind 125: 'schuytevoerders huys'. Nr. 137:
buitendijks 'Korenwassery' - nu Westeind ... - van Pieter Besemer.
Het hoogste bedrag aan belasting betaal baljuw Leendert Roscam (f
547). Pieter Besemer betaalt f 305 en de Vrijheer van Papendrecht
f 206. Er zijn twintig personen die meer dan f 100 betalen, 15 ongeveer
f 50 en de rest zit er onder.
Het gezin van Mees en Ariaantje maakt nogal het een en ander mee. Vooral
de boerenbevolking ondervindt veel schade van de gebeurtenissen. Zo is
er in 1740 een grote muizenplaag; de diertjes vreten alles op. In
februari 1741 breekt er weer eens een dijk door in de Alblasserwaard
door een ijsdam. Bij de buren van Mees, nr. 9 - bouhuys en schuur van de
weduwe Gerrit Jan Swartwater - spoelt de hele boel weg. Ook op
nr. 14 is dat het geval. Het land staat na zo'n dijkdoorbraak maanden
erna nog onder water. Als iedereen de boel weer op orde heeft, breekt in
1744 de veepest uit. In 1755 zijn hun buren: op nr. 6 Adriaan Cleysz
Matena; nr. 7 Pieter Jansz Matena; nr. 9 Leendert
Kamermans; nr. 10 de weduwe Hermen Jansz Decker en nr. 14 Jan
Hendrikz van de Graaf.
Het gezin van Mees en Ariaantje bestaat in 1754 uit zes kinderen; zeven
anderen zijn op jonge leeftijd overleden en hebben in de meeste gevallen
het eerste jaar niet gehaald.
Dit was overigens tot begin deze eeuw bij velen het geval. Oorzaken
waren o.a.: kort borstvoeding, verkeerde andere voeding, slechte
hygiëne, kinderziektes en cholera door het slechte water.
Ariaantje moet een ijzersterke vrouw zijn geweest, want zij is bijna 44
jaar als zij in 1754 haar 14e kind - voor die tijd niet ongebruikelijk -
krijgt. Tijdens mijn onderzoek naar andere Papendrechtse gezinnen is mij
gebleken dat het tot ver in de twintigste eeuw heel normaal is als
moeders rond hun 45e jaar nog een baby krijgen. Je kan je bijna niet
voorstellen hoe het leven voor die vrouwen toen moet zijn geweest: vele
zwangerschappen, het verdriet van het overlijden van (jonge) kinderen en
dan nog de zorg voor het gezin.
(Mees Visser. Een huijs ord. verp. 1750 van Een huijs
f 2-0-0, etc.....)
De zeven kinderen van Mees en Ariaantje:
- Neeltje (1735)
- Pieter (1739) (IV) hust in 1765 te Papendrecht met Kornelia
Ariens Blom
- Maayke (1744) huwt in 1768 te Papendrecht met Boudewijn Ariens Blom
(broer van Kornelia)
- Kornelis (1745)
- Ariaantje (1746) huwt in 1787 te Papendrecht met Willem Stolk
- Ary (1750)
- Lysbeth (1754) huwt 1789 te Papendrecht met Willem Smits
IV Pieter Mees Visser
Pieter wordt gedoopt op 21-6-1739 te Papendrecht. Hij is boer en
trouwt in 1765 een boerendochter van het Oosteind nr. 20, Kornelia Blom,
gedoopt 26-7-1739 te Papendrecht.
Kornelia is de dochter van Ary Boudewyns Blom, boer en
schepen van Papendrecht, en Aagje Ariens Schorteldoek. Zij zijn
vermogend en hebben zes kinderen, van wie er maar twee trouwen, de rest
blijft dus ongehuwd.
Volgens de woninglijst van 1780 wonen Pieter en Kornelia op nr. 13. In
dat jaar wordt Pieter aangesteld als schepen van Papendrecht. Hij volgt
dan op 41-jarige leeftijd Teunis van Rhijn op.
Op de lijst van weerbare mannen uit 1784 is Pieter een vermogend man;
hij heeft geen geweer.
Pieter overlijdt vóór 1802, Kornelia overlijdt in februari 1802, 62
jaar oud, te Papendrecht. Bij haar begrafenis wordt voor het luiden van
de klok het hoogste tarief van 16 stuivers betaald.
Hun kinderen:
- Ariaantje (1766) huwt in 1800 te Papendrecht met Kornelis Ariens
Vink; 1 zoon.
- Arie (1768).
- Mees (1770) (V) huwt in 1795 te Sliedrecht met Elisabeth
Vermeulen.
- Aagje (1772).
- Maaike (1777) huwt in 1801 te Papendrecht met Aart Ariens Dekker; 1
dochter.
(Den Bailluw deser Heerlikheit Papendrecht en Matena ...)
V Mees Pietersz Viiser
Mees wordt gedoopt op 2-9-1770 te Papendrecht. Hij wordt boer en
haalt zijn vrouw Elisabeth Vermeulen uit Sliedrecht, maar hij zal
zijn Elisabeth wel ontmoet hebben in het Oosteind, waar hij zelf
woont. De grootouders van Elisabeth, Pleun de Borst en Jannigje
van der Zijden, en broers en zusters van haar moeder wonen namelijk
ook aan het Oosteind in Papendrecht.
Zij gaan in een roerige tijd in Sliedrecht in ondertrouw. Het is
namelijk 1795, de tijd van de Bataafse Republiek. In het trouwboek staat
op 17-7-1795: "Lijsbeth Vermeulen jonge dochter zullende
trouwen met Mees Visser wonende te Papendrecht classe f 3,-"
In augustus trouwen zij; Mees is dan bijna 25 jaar en zes jaar ouder dan
Elisabeth, die bijna 19 jaar is.
Elisabeth is gedoopt op 15-9-1776 te Sliedrecht en dochter van Pleun
Wouters Vermeulen, scheepmaker, en Bastiaantje Pleune de Borst
(van Papendrecht). Dit echtpaar woont dan op nr. 119 te Sliedrecht.
(2 september 1770 Mewus, zoon van Pieter Visser en
Kornelia Blom. De getuijge Mayke Meeze Visser (doopboek Papendrecht))
Mees en Elisabeth (of Lijsbeth, zoals ze ook genoemd wordt) zijn de
stamouders van de familie Visser te Papendrecht. De eerste jaren
zullen zij wel bij de ouders van Mees gewoond hebben, maar eind februari
1801 kopen zij zelf een boerderij aan het Oosteind.
Uit de akte van het gerechtelijk archief in Den Haag blijkt dat op
2-2-1801 bij Schout en Schepenen is gekocht: "huis en erf van Hendrikje
de Groot aan Mees Visser en Lijsbeth Vermeulen. Niet naar de
Hypotheekbank."
Hendrikje de Groot is eerst weduwe van Huibert van de Berg en
later van Jurrie Stijweg, wonende te Sliedrecht. Zij verkoopt aan
Mees Pietersz Visser, ten oosten van Huig van de Graaf en ten
westen van Maaike de Borst, een huis en erf voor de som van f
950. Huis nr. 38 staat binnendijks, direct naast het Waaltje; later
kadaster C 1012 (nu Oosteind 142). [zie pag. 13]
Mees is in 1797 al actief in het dorp en wordt aangesteld als
stemopnemer bij het schoolgebouw naast de Grote Kerk. De burgers van
Papendrecht hebben sinds 1795 stemrecht en op 16 februari 1797 zal
vanuit deze stemming een gemeenteraad worden gekozen. (Niet alle burgers
mogen zomaar stemmen. Deze worden aangewezen; het zal wel met grond en
geld te maken hebben gehad.)
Bij een volgende gemeenteraadsverkiezing, op 11 januari 1804, wordt Mees
in de gemeenteraad gekozen, samen met Willem van Dalen sr., Joost de
Heer, Jan Matena, Ary Schorteldoek, Jacob Veth Philipsz en Jan Wapperom
Teunisz.
Het is nog steeds bezettingstijd door de Fransen als in januari 1809 de
Alblasserwaard weer een overstroming meemaakt. De oorzaak is te veel
opperwater. Om het water beter en sneller af te laten vloeien, worden in
Papendrecht twee hulpgaten gegraven, een bij het Oosteind en een bij de
Noordhoek. Mees staat op de lijst der benadeelden en krijgt een
schadevergoeding. Zijn boerderij stond dan ook naast het hulpgat.
Via vererving hebben Mees en Lijsbeth in 1802 en 1805 er aardig wat
grond bij gekregen. In 1813 worden de Fransen verdreven en tijdens hun
aftocht over de dijk plunderen zij alle huizen. Iedereen vlucht met
geld, goed en gezin de polders in.
Zo ook Mees en Lijsbeth en hun zes kinderen, maar zoals de
familieanekdote vertelt, lieten zij hun tweeling van ruin een jaar,
Adriaan en Gerrit, achter in de boerderij. En daarover werd in de
familie nogal eens meesmuilend gelachen. Bij nader inzien zal de
tweeling misschien nog niet hebben kunnen lopen en hadden de ouders hun
handen vol aan de andere kinderen. De kleintjes 'hopelijk veilig' in de
bedstee achterlatend.
In 1815 wordt er een overzicht van Papendrecht gemaakt. Het dorp telt
dan 1162 inwoners en 180 huizen - waarvan 100 arbeidershuizen, 60
boerderijen en 20 burgerhuizen - alsmede 100 paarden. Bij het Ponte Veer
staat een trasmolen, waarop een molenaar. Er is aan het Westeind een
korenwasserij, die stilstaat en in de Kerkbuurt staat een korenmolen. De
eigenaar, Hendrik Pietersz Rijshouwer, maalt er zelf 1200 zakken
graan per jaar.
Papendrecht heeft 4 huistimmerlieden, 10 scheepstimmerlieden, 2
hoefsmeden, 4 metselaars, 2 broodbakkers, 6 kleermakers, 5 schoenmakers,
1 heelmeester en 1 vroedvrouw. Er zijn 13 boeren- of open wagen met 2
paarden ervoor, 12 mest- of aardkarren met 1 paard ervoor. Andere
beroepen worden jammer genoeg niet genoemd, zoals het aantal vissers of
griend- en riethandelaren, slagers, postboden of veermannen.
De buren van Mees en Lijsbeth zijn in die tijd: op nr. 31 Adriaan
Hofwegen, nr. 32 Jan de Groot, nr. 35 Arie Ooms, nr.
36 Philip Verdoorn, nr. 38 Mees Visser, nr. 39 Maaike
de Borst en nr. 41 Gijsbert Besemer.
Hun eerste kind trouwt in 1822; zeven jaar later sterft Mees op
58-jarige leeftijd op 12 juni 1829 's middags om half zes. De volgende
dag wordt hij aangegeven door zijn zoon Arie.
Elisabeth zet behulp van haar kinderen de boerderij voort. Zij
wordt dan in de papieren bouwmeesteresse genoemd. Ook breidt zij in 1831
de bezittingen van de familie uit door zelfstandig nog een huis en grond
te kopen.
Zij moet een goede gezondheid hebben gehad, want zij is bijna 44 jaar
als zij in 1820 haar 16e kind krijgt. Van haar kinderen overlijden er
vijf op jonge leeftijd en twee blijven er ongehuwd.
De laatste jaren voor haar dood leeft zij op de boerderij met twee
ongehuwde dochters, een ongehuwde zoon en twee kleinkinderen, die wees
zijn geworden. Zij overlijdt op 77-jarige leeftijd op 8 juni 1853 's
middags om 4 uur. Haar zoon Jan geeft haar overlijden aan.
De erfdeling vindt plaats op 18 november 1853 door notaris Willem van
Wageningen Willemsz van Alblasserdam. Te verdelen valt o.a.: 2
huizen met grond aan het Oosteind A54 en A55, kasternr. C 1012 en C
1020. Verder grond, binnendijks en buitendijks, tuinland, een boomgaard
en griendland. Adriaan Verdoorn koopt voor f 3010 boerderij en
land C 1012 (nu Oosteind 142). Pleun Visser koopt het andere huis
C 1020 voor f 895. Metselaar Gerrit Visser koopt grond voor f 450
en zijn tweelingbroer Adriaan Visser, huistimmerman, koopt grond
voor f 395. Het geheel brengt f 9765 op en dat moet verdeeld worden
onder de elf kinderen.
Alle kinderen uit het gezin van Mees en Elisabeth zijn in
Papendrecht gedoopt:
- Pieter (1798-1874) (VIa) huwt in 1822 te Papendrecht met
Teuntje Kornelis Verheul.
- Bastiaantje (1800) huwt in 1824 te Papendrecht met Pieter Willemsz
van der Linden, metselaar.
- Pleun (1801-1876) huwt in 1825 te Papendrecht met Pleuntje
Stekelbosch.
- Arie (1804-1873) (VIb) huwt in 1837 te Papendrecht met Cornelia
Leenderts van Houwelingen.
- Kornelia (1808) huwt in 1839 te Papendrecht met Johan Kristoffel
Bohre, bakker.
- Jan (1810-1890) blijft ongehuwd.
- Adriaan (1812-1874) (VIc), huwt 1) in 1836 te Papendrecht met Neeltje
Barends Hello en 2) in 1852 te Papendrecht met Anna Philips van
Wijngaarden.
- Gerrit (1812-1885) (VId) huwt in 1835 te Papendrecht met
Pieternella Adriaans Vink (tweelingbroer van Adriaan).
- Wouter (1815-1847) (VIe) huwt te Papendrecht met Elisabeth
Abrams Boer (1843).
- Aagje (1818-1874) huwt in 1858 te Papendrecht met Jan Jacobs Veth.
- Maaike (1820-1865) blijft ongehuwd.
(Oosteind 142 te Papendrecht. Boerderij, in 1801
gekocht voor f 950 door Mees Pietersz Visser en Elisabeth Vermeulen)
De familie Visser bestaat uit mensen die graag eigen baas zijn, zich
ergens in mengen en er een eigen mening op na houden. Dat blijkt wel uit
het volgende verslag over de scheiding binnen de kerk, die rond 1840
speelde.
In Papendrecht staat in die tijd ds. N.C. van Steenbergen, die de
roerselen rond de Afscheiding heeft opgetekend. Vanaf 1831, wanneer de
eerste tekenen van de Afscheiding zich in de gemeente openbaren. Het
betreft voornamelijk enkele families aan het Oosteind, die toch al het
idee hebben dat het Oosteind een dorp apart is. (Een mening overigens
die tot lang in deze eeuw is gebleven. Een Oosteinder zal altijd kenbaar
maken waar hij vandaan komt.)
Het gaat in hoofdzaak om de families Visser, Verdoorn en Van
de Graaf. De familie Visser woont op nr. 38, Flip Verdoorn
op nr. 41, Teunis Huigzn van de Graaf op nr. 42 en Pieter
Jansz Verheul op nr. 46.
Uit het verslag van ds. Van Steenbergen.
Deze dominee schrijft: "In 1831 begin ik reeds te bemerken dat
enige in de gemeente door geestelijke hoogmoed gedreven, zich boven
anderen begonnen te verheffen, voorgevende dat zij boven anderen,
verlicht, heilig en op buitengewone wijze door Gods geest vestuurd
wierden, met een woord dat zij de eenige vroome in de gemeente waren,
hier van uytgaende verwijderden zij zich van tijd tot tijd van de
openbare Godsdienst oefeningen, voorgevende dat 't Woord niet zuyver
verkondigt wierd."
De dominee bezoekt samen met een oduerling "aan de huyzen wie
die hoog verlichte mensen al waren."
1. Pleun Meesz Visser en zijn vrouw Pleuntje Stekelenbosch,
geen lidmaat, komen bijna nooit in de kerk, soms de man bij de
Afgescheidenen.
2. Aart Cornelisz van de Graaf en zijn vrouw Kundertje Boer.
3. Jan Meesz Visser, knecht bij de weduwe Jan de Graaf,
geen lidmaat, komt niet in de kerk, soms bij de Afgescheidenen te
Giessendam.
4. Jan Kristoffel Böhre Bakker en zijn vrouw Kornelia Meesse
Visser, hebben 2 kinderen die ongedoopt zijn en komen niet in de
kerk, ook niet bij de Afgescheidenen.
5. Teuntje de Koning.
6. Gerrit Meesz Visser en zijn vrouw Pieternella Adriaans Vink,
geen lidmaat; de vrouw klaagde bij het huisbezoek op 6 oktober 1841 over
twist en onenigheid met haar man, die te Dordrecht (in het Kromhout) bij
de Afgescheidenen gaat. De moeder van de vrouw, Cornelia Bakker (zijnde
de vrouw van Adriaan Vink), klaagde bij mij dat haar schoonzoon Gerrit
Visser met anderen ook weleens te kerke gaat bij de Afgescheidenen
te Giessendam, maar dan half dronken uit en heel dronken thuis kwam.
7. Arie Meesz Visser en zijn vrouw Cornelia Leenderts van
Houwelingen zijn geen lidmaat. De man zei mij, ik preekte niet goed,
dus ging hij bij de Afgescheidenen te Dordrecht in de kerk. Op mijn
vraag hoe die afgescheidenen predikant dan preekte, was het antwoord: Ik
wil het u niet zeggen.
8. Cornelis Flipz Verdoorn en zijn vrouw Teuntje Teunisse van
de Graaf.
9. Joost Teunisz van de Graaf en zijn vrouw Adriana Flipse
Verdoorn, werkt bij zijn broer Jan Teunisz van de Graaf,
griend- en riethandelaar in het Oosteind. Heeft onder dwang van zijn
broer Jan zijn kind laten dopen in Papendrecht, maar gaat toch in
Dordrecht naar de kerk.
10. Teunis van de Graaf.
11. Willem Borsje en zijn vrouw Marrigje Teunisse van de Graaf.
12. Hermen Flipz Verdoorn en zijn vrouw Aartje Cornelisse van
Dalen.
13. A. van Duren en zijn vrouw.
14. Hermen Jacobz Vermeulen en zijn vrouw Anna Jacobs van
Wijngaarden.
15. Pieter Meesz Visser en zijn vrouw Teuntje Cornelis
Verheul, is lidmaat en de man komt nu en dan 's morgens naar de
kerk, viert geen avondmaal, gebruikt geen evangeliegezangen. De vrouw
zeer zelden aan het avondmaal. De man zegt tot zijn oudste zoon
Cornelis, die geen enkele keer in de catechisatie kwam: Smijt liever uw
vraagboek in het vuur; zodat die zoon ook niet meer de catechisatie
bijwoont. De man komt thans in het geheel niet meer in de kerk, maar
gaat elke zondagmorgen bij de Afgescheidenen in Dordrecht.
16. Adriaan Meesz Visser en zijn vrouw Neeltje Barends Hello,
lidmaat. De man fungeert als diaken of armmeester, komt hier ter kerke.
Maakt echter zelden gebruik van de evangelische gezangen, komt niet naar
het avondmaal omdat hij geen oprecht berouw van zijn zonden heeft. De
ouders van zijn vrouw (Barend Hello en Neeltje Wapperom)
klaagden bij mij wel eens over de onenigheid in het huisgezin van hun
dochter. Het avondmaal van 16 januari 1842 werd wederom door de man niet
bijgewoond. Gaat ook wel naar de predikatie van de Afgescheidenen in het
Kromhout te Dordrecht.
17. Johannes Janz Kraal en zijn vrouw Neeltje Willems van
Dalen.
18. Pieter Janz Verheul sr. (1768) en zijn vrouw Alida Broere.
Deze Afscheiding onder de kerkgangers e.d. heeft grote gevolgen: zoals
families die niets meer met elkaar te maken willen hebben. Dochters en
zoons die met bepaalde families niet mogen omgaan, laat staan trouwen.
Er wordt eenvoudigweg geen toestemming voor een huwelijk gegeven. Wie
toch wil trouwen met iemand 'van de andere kant', moet wachten tot
hij.zij boven de 30 jaar was. In diverse trouwakten is dat terug te
vinden en soms zijn er dan al kinderen, die later geëcht worden. Het
heeft heel zo'n buurtschap als het Oosteind verdeeld en het is meestal
ook niet meer goed gekomen tussen de families.
(Het verslag van ds. Van Steenbergen is overgenomen uit 'De Hoeksteen',
6e jaargang nr. 5/6 1977, geschreven door dhr. J. Bezemer) |