Het is in september 1998 130 jaar geleden dat Gerrit Visser als aannemer
aan het Oosteind te Papendrecht een loods-bergplaats voor bouwmaterialen
bouwde. De werf stond buitendijks. Alvorens hier nader op in te gaan volgt
eerst enige uitleg over de aannemers uit deze streek en het ontstaan van
de 'aannemerij' langs de Merwede in de vorige eeuw. Drs. P. den Breejen
Kzn vertelt hierover in zijn boek 'Hardinxveld-Giessendam, van vissers-
en hoepmakersdorp naar een industriegemeente'.
Op het gebied van uitvoering van waterbouwkundige werken en grondwerken
was deze streek als eeuwen bekend. Reeds vroeg waren hier aannemers, die
de dijken moesten onderhouden en opnieuw aanleggen na een dijkdoorbraak.
Er waren twee soorten aannemers:
1. Voor grond- en waterbouw, bijv. voor het graven van kanalen en het
aanleggen van havens, dijken, voor inpoldering, oeverwerken,
rivierverbetering en baggerwerken.
2. Voor burgerlijk en bouwkundig werk, bijv. voor bouw en onderhoud van
woningen, scholen, fabrieken, bruggen en stoomgemalen, watertorens en
electriciteitscentrales.
vele nu nog bestaande aannemers en baggermaatschappijen komen uit deze
streek. Door de vooruitgang van de techniek was de vorige eeuw een goede
tijd voor de aannemers. Er waren grote werken in uitvoering, zoals
inpoldering van de Haarlemmermeer en de bouw van spoorwegen met bruggen.
Er werden lange kanalen gegraven en stoomgemalen kwamen in de plaats van
molens. Door de toename van de industrie moesten er veel fabrieken worden
gebouwd, maar ook kwamen er nieuwe, verbeterde machines, die het handmatig
werk vervingen, waardoor er minder arbeiders nodig waren. Voor die tijd
ging alles bijv. met de schop en nu werd het werk sneller en gemakkelijker
uitgevoerd door machines.
Om een werk te kunnen aannemen of een stoommachine voor een heistelling te
kunnen aanschaffen, was geld nodig. De aannemers uit de dorpen langs de
Merwede kwamen dan ook uit de gegoede boerenstand of burgerij. Aannemers
behoorden vaakk tot de dorpselite zoals de burgemeester, de dokter en de
dominee. Ze woonden ook in een herenhuis en zaten in gemeentebesturen e.d.
Eveneens van aanzien waren de rijke boerenfamilies, de griend- en
riethandelaren en niet te vergeten de scheepsbouwers. Vaak zaten deze
families al generaties lang in polderbesturen vanwege hun bezit aan grond
en grienden.
Succes in de aannemerij was niet zozeer dankzij opleiding, maar met name
door inzicht van zaken en het durven nemen van risico's. Ook zakelijke
betrouwbaarheid en familie speelden daarbij een rol. Er moesten borgen
gesteld worden bij het aannemen van een werk, een soort bankgarantie,
meestal door iemand uit de familie of schoonfamilie. Vandaar dat de
aanemer wel uit een gegoede familie moest komen of getrouwd zijn met een
dochter van een rijke boer of korenmolenaar, wilde hij een kans maken zijn
bedrijf te kunnen blijven runnen. Dat droeg namelijk bij tot de
kredietwaardigheid. Ook kreeg men wel een sgeld via een erfenis. De borden
werden bij de burgemeester van de woonplaats van de aannemer nagetrokken
of zij wel gegoed waren.
Aannemers hadden vaak een ruimere kijk op de dingen. Ze keken 'verder dan
de dijk' en waren meer zakelijk en minder conservatief dan hun
dorpsgenoten. Het risico dat zij liepen was groot. tegenslag met het werk,
slechte weersomstandigheden, het stilliggen van werk bij een strenge
winter, crisistijd enz. konden een gat in het kapitaal van een ondernemer
slaan. Sommige aannemers hielden daar rekening mee en leerden hun zonen al
het werk uit de praktijk, als metselaar, timmerman, heier en uitvoerder,
zodat in tijden van nood zij toch een vak hadden om op terug te kunnen
vallen.
Nu terug naar Papendrecht rond 1856. Het dorp telde 1941 inwoners en was
verdeeld in buurten, te beginnen aan de dijk op de grens met Alblasserdam.
Dan komen we achtereenvolgens door: Noorthoek, Westeind, Veerstoep, Oude
Veer, Veerdam, Bosch, Kekrbuurt, Visschersbuurt en Oosteind. Die laatste
buurt vormde een gemeenschap op zich. Ze was wat grond en bezit betreft
het rijkste deel van Papendrecht. Uit een overzicht uit die tijd blijkt
dat er in het Oosteind 27 boeren woonden, waaronder de families Dekker,
Van de Graaf, Besemer, Vink, Hofwegen en Matena. Er woonden vier
schippers, o.a. Dekker en Romijn; drie griendbazen o.a. Van de Graaf en
Veth; twee schoenmakers: Van Loon en v.d. Herik; een winkelier/koopman:
Willem Kwakernaak; 1 Israëlitisch slachter, Jacob Kriek; 1 schilder,
Gerrit Montfoort; 1 bakker, Pieter de Vries; 1 wagenmaker (wagenaar),
Cornelis van de Grijp; 2 kroeghouders: Hendrik van der Tak en Willem
Kroon; 2 metselaars: Pieter van der Linden en Gerrit Visser; 1 klapwaker,
Cornelis van der Herik; 2 winkeliersters: de weudwe De Groot (Maria
Groenewegen, 39 jaar en 5 kinderne) en de weduwe Teunis v.d. Graaf
(Trijntje van Wijngaarden, 37 jaar en 3 kinderen: t.w. Jan, Janna, en
Adriana, die in 1870 met haar overbuurjongen Martinus Visser Gzn trouwde).
GERRIT VISSER MEESZ (1812-1885), metselaar/aannemer
Gerrit Visser werd geboren op 17 september 1812 als zoon van een
welgestelde boer aan het Oosteind. Hij was de jognste van een tweeling;
zijn tweelingbroer heette Adriaan. Het geboortehuis van Gerrit
staat er nog: nu Oosteind 142. Zijn vader was Mees Visser Pietersz,
zijn moeder Elisabeth Vermeulen uit Sliedrecht, dochter van een
scheepsbouwer aldaar. Gerrit werd vernoemd naar de broer van zijn
moeder, Gerrit Vermeulen, ook scheepsbouwer te Sliedrecht. Hij
groeide op in ene groot gezin van twaalf kinderen en had vier oudere
broers en twee oudere zusters. Gerrit ging niet het boerenbedrijf in, maar
in de leer als metselaarskencht, waarschijnlijk bij zijn zwager Pieter
v.d. Linden, die met zijn zuster

(Deel van het Oosteind waar Gerrit Visser Meeszn
opgroeide. Boerderij geheel rechts (nu Oosteind 142) is het geboortehuis
van Gerrit. Op het dak is een rietdekker bezig. De foto is genomen in de
richting van het dorp. Het Oosteind liep toen nog een heel eind door, tot
het Nanegat. Links de oostelijke school, gebouwd door de gebr. Visser)
Bastiaantje was getrouwd en schuin tegenover zijn ouderlijk huis
woonde.
Hij ging in militaire dienst en was volgens zeggen klein van stuk, maar
dat heb ik niet kunnen opmaken uit zijn huwelijksbijlage, waarop zijn
lengte in de oude maten staat vermeld. Als beroep gaf hij op:
metselaarskencht. In 1835 trouwde hij een dochter van een welgestelde
boer, Pieternella Vink, geb. 3 oktober 1812, dochter van Adriaan
Vink Arijsz en Cornelia Bakker Cornelisd (uit Oud-Alblas). De
ouders van Pieternella woonden toen op nr. 12 aan het Oosteind. Volgens
overlevering was Pieternella een opgewekte vrolijke vrouw, het
tegenovergestelde van haar opvliegende en ongemakkelijke man Gerrit.
Begin 1840 roerde het zich in de kerkelijk wereld en ook in Papendrecht
diende zich de Afscheiding aan. Gerrit liet zich niet de les lezen door
ds. Steenbergen en was geen lid meer van de Kerk; hij ging naar een andere
dominee, in Giessendam luisteren of in het Kromhout te Dordrecht en met
hem al zijn broers. Hij zal het zelfstandige wel meegekregen hebben van
thuis; zijn vader zat ook in allerlei besturen en was in 1804 o.a. lid van
het gemeentebestuur.
Voor zo ver is na te gaan bouwde Gerrit in 1845 zijn eerste nieuwe huis
aan het Oosteind. Het gezin telde toen vijf kidneren. Na 1856 erfden
Gerrit en Pieternella beiden van hun ouders. Gerrit bouwde toen als
zelfstandig metselaar samen met drie zoons huizen in eigen beheer en
verhuurde deze. Zo verzamelde hij zijn grond en kapitaal, waarmee hij tien
jaar later als aannemer werken buiten Papendrecht kon gaan aannemen.
Het huis van Gerrit stond buitendijks aan het Oosteind, waar hij zijn hele
leven bleef wonen. Zijn buurtgenoten waren in 1856 o.a.: op huisnr. 41: Arie
Vink Czn, veehouder, nr. 42: Jan v.d. Graaf, griendbaas (met
daar in huis de weduwe van zijn zoon Teunis, Trijntje van Wijngaarden
met haar drie kinderen: Jan, Janna en Adriana, die met haar
buurjongen Martinus, zoon van Gerrit trouwde); nr. 43: Cornelis
v.d. Herik, klapwaker; nr. 44: Boudewijn Vermeulen, veehouder,
nr. 45 (buitendijks): Gerrit Visser, metselaar; nr. 46
(buitendijks): Giel Leeuwsteijn; nr. 47: Jacob Hofwegen,
veehouder; nr. 48: Jan Matena, veehouder; nr. 49/50: Adriaan
Verdoorn, veehouder; nr. 51 (buitendijks): Willem de Koning en Maggetje
de Gelder.
Ook bij de gemeente liet Gerrit zich horen. In 1862 zat zijn
jongste zoon Jan nog op school - de school die in de Kerkbuurt
stond, rechts naast de kerk (nu bakker Verkerk). Samen met enkele andere
vaders uit het Oosteind, t.w. Adriaan Dekker, en Pieter en Jan
Veth, schreef hij de burgemeester ontevreden te zijn over de gang van
zaken op school. Op 11 februari 1862 ontving de gemeenteraad van hen een
brief met de klacht dat door het ingaan van de nieuwe wet op het onderwijs
zij allerlei onaangenaamheden van de onderwijzers ondervonden. Dat de
kinderen op de verordende tijd 's morgens om half negen werden verwacht,
maar niet eerder dan klokke negen werden toegelaten. Verder dat de
verordening bepaalde dat de school tussen de middag voor kinderen die van
ver kwamen toegankelijk bleef. Deze bepaling werd volgens de
briefschrijvers echter geschonden, want de kinderen werden reeds een
kwartier na de les de deur uitgejaagd en mochten niet eerder binnenkomen
voordat de les weer begon.
De avondschool gaf ook problemen. Daarop zaten scholieren die
hoofdzakelijk de school bezochten om het reeds aangeleerde rekenen te
onderhouden. De hoofdonderwijzer gaf evenwel ander werk op dan de
bedoeling was. Ook vroegen de heren toezicht op de kinderen tussen de
middag (er is dus na 130 jaar nog niet veel veranderd bij het onderwijs
wat toezicht en opvang van kinderen betreft).
Gerrit zat ook in een commissie van de gemeente die onderzocht of een
gezin zo behoeftig was dat het in aanmerking kwam voor een bewijs van
onvermogen. In februari 1865 liet hij samen met Mathijs van der Kevie
weten dat een gezin Matena zo arm was dat het in aanmerking diende
te komen voor ondersteuning. Beide ouders bleken ziek te zijn.
1868
In dit jaar 1868 waren drie zoons van Gerrit getrouwd, nl. Mees
(geb. 1835), Adriaan (geb. 1839) en Pleun (geb. 1841). De
oudste twee zoons hadden zich losgemaakt van hun vader en woonden sinds
twee jaar in Sliedrecht. Martinus (1845) was opgeroepen voor dienst
en Jan (1851) zal nog te jong geweest zijn om echt veel mee te
kunnen werken. Vader Gerrit en zijn zoons zullen wel tot een overeenkomst
zijn gekomen, want in mei 1868 vroeg Gerrit bij de Provincie Zuid-Holland
een vergunning aan om buitendijks een woonhuis met loods voor
bouwmaterialen te mogen bouwen.
In oktober 1868 nam Mees als oudste zoon voor het eerst werk als
aannemer aan; een school met onderwijzerswoning te Goudswaard, dat onder
Nieuw-Beijerland viel. De burgemeester van Nieuw-Beijerland schreef naar
de burgemeester van Papendrecht of Mees Visser wel goed bekend
stond in Papendrecht. De aannemsom bedroeg f 8200.
Honderd jaar later, in 1968, bij de bouw van het nieuwe kantoor van VISSER
EN SMIT aan het Slobbengors te Papendrecht, werd de bouw in 1868 van de
loods van bouwmaterialen van GERRTI VISSER als stichtingsjaar aangenomen
voor de viering van het honderdjarig bestaan van het bedrijf. Toen werd
tevens het predikaat Koninklijke aangevraagd in Den Haag. Het zou mooi
geweest zijn als het bij de opening van het nieuwe kantoor aangekondigd
had kunnen worden, maar de aanvraag was slecht onderbouwd en niet voorzien
van documentatie uit archiefonderzoek of andere akten. Daarom werd het
verzoek afgewezen.
De aanbestedingen van werk vonden op diverse lokaties plaats. Sommige in
de herberg in Papendrecht óf men ging naar Dordrecht of Gorinchem,
hetgeen altijd nog weer een hele reis was. Alles ging óf per koets, want
een auto, bus of trein waren er nog niet, óf men maakte gebruik van de
schroefstoomboot, die van Dordrecht naar Gorinchem voer en onderweg
Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam en Hardinxveld aandeed. Gerrit en zijn
zoons zullen vast wel eens meegevaren zijn.
Wanneer Gerrit zijn eerste stoomheistelling heeft aangeschaft weet ik
niet, maar dat zal rond 1870 geweest zijn. Hij noemde zich toen aannemer
bij het opgeven van zijn beroep.
(Tarief A bepalende de maxima der vrachtprijzen voor
reizigers op de Schroefstoomboot Mercurius volgens beschikking des
Ministers van Binnenl. Zaken 22 Novr. 1865 No. 230)
Op 13 mei 1870 nam Mees op zich aan de Noordhoek te Papendrecht een
stoomgemaal te bouwen voor het polderbestuur van Papendrecht voor de som
van f 20.583. (Het is helaas in de jaren tachtig afgebroken vanwege de
dijkverzwaring) Daarna bouwde Gerrit samen met zijn zoons stoomgemalen
door heel Nederland. Ook schaften zij nog enkele stoomheistellingen aan en
in 1870 kwam er nog een werf met opslagloods bij aan het Oosteind.
Omstreeks 1870 werd ook de wet op het stoomwezen aangenomen, die de
veiligheid regelde van de arbeiders moest zorgen en de inspectie en
keuring van de stoomketels. Wie zo'n stoomketel gebruikte moest een akte
van het Stoomwezen overleggen, die werd afgegeven in Den Haag. Eén akte
behield de burgemeester van de woonplaats waar de aannemer woonde, de
andere kreeg de aannemer zelf.
Alle afgegeven akten zijn in een boek verwerkt door dhr. J.A.W.
Nieuwpoort. De akten beginnen in 1871; ik heb hieruit veel gegevens kunnen
halen over de werken van Gerrit en zijn zoons, omdat er soms ook een akte
naar de plaats waar het werk werd uitgevoerd, werd gestuurd. In 1873
kreegt Gerrit toestemming om zijn 'locomobiele heistelling' te gebruiken
in Delfshaven, waar hij samen met Engel van Krevelen werk had
aangenomen. De stoomketel was in 1867 gemaakt bij Appleby Brothers in
Londen.
Voor de bouw van twee scholen in Papendrecht werd een akte afgeven aan
Gerrits zoon Adriaan Visser. Deze had het werk aangenomen voor f
16.778. Het waren de oostelijke school aan het Oosteind (afgebroken) en de
westelijke school in het Westeind, die er nog staat en er in 1990 een
bvoenverdieping op kreeg. De jongste zoon, Jan, was de architect
van de scholen. Bij de bouw ervan werden 169 palen in twaalf dagen de
grond in geheid. Opzichter voor de gemeente Papendrecht was Cornelis
Bakker Czn, aannemer en neef van Gerrits vrouw Pieternella.
In 1874 wordt Gerrit nog een keer genoemd bij de afgifte van een akte van
het Stoomwezen. Hij had met zijn zoons toen drie heistellingen op stoom
staan; de eerste stond op naam van Gerrit Visser, de tweede op naam
van zoon Mees en de derde op naam van Jan. (Ik hoop in mijn
verdere onderzoek nog te kunnen achterhalen wat zo'n stoomketel en
heistelling kostten)
(Stoomafgifte voor de stoomketel, vervoerbare
heistelling van Gerrit Visser, aannemer te Papendrecht)
1876
De Gebr. Visser schreven in 1876 in voor de bouw van een stoomgemaal bij
Schipluiden. Het ontwerp was van T. van den Doll te Maassluis en de
opdrachtgevers waren het polderbestuur van de Dorppolder onder de
gemeenten De Lier, Schipluiden en Maasland. Zoals in het bestekd en de
voorwaarde stond, moesten de gebroeders zorgen voor: het leveren,
vervoeren, opstellen en in werking brengen van een stoomwerktuig met
stoomketel, scheprad, wateras, kamwielen enz., op te stellen in het te
maken gebouw aan de zuidwestelijke Kolkkade van de genoemde polder.
Het stoomwerktuig moest een vermogen hebben van 23 PK, het scheprad een
middellijn van 6,60 m en een breedte van 0,70 m met 24 gebogen schoepen.
De bovenketel moest een plaat-dikte hebben van 13 mm, een lengte van 6,80
m en een middellijn van 1,20 m. Bij het proefdraaien/maling moest de
krukas 40 omwentelingen per minuut maken bij een stroomspanning van
hoogstens 4,5 atmosfeer en een waterverzetting van 56 kubieke liter water
per minuut. Het werk werd gegund aan ijzergieterij de Prins van Oranje
in Den Haag voor de som van f 12.196. De directeur was J.W. Huijgens; de
twee borgen ingenieur Reinier van Diggelen en boekhouder Lambertus
Constantinus ten Brummeler. De andere twee inschrijvers waren: gebr.
Ledeboer te Borne en Walker, Stronck, Van Delden te Rotterdam.
Een ander groot werk dat de Gebr. Visser aannamen was het maken van
een gebouw, kolenbergplaats enz voor een stoomschepradgemaal aan de
zuidwestelijke Kolkkade 'voor den grooten molen, nabij den Oost Gaagweg
gemeente Schipluiden'.
De voor- en achtergevel van het gebouw waren 10.60 m lang, de kolenloods
was 6 bij 4 m, de schoorsteen was 15,60 m hoog. De aannemer moest de
nodige ontgravingen doen en de plek droog houden voor een gemakkelijke
uitvoering van het werk. Verder een afdamming van de molenkolk van de
bestaande molen maken en poldersloten graven, zodat er een voldoende staat
van waterkering gehouden werd.
Voor de paalgrond moest de aannemer een Hollandse heistelling gebruiken en
een heiblok van minstens 450 kg zwaar voor het heien van gebouw, schoorsteen enw aterloop. Er kwamen 119 heimasten van 12 m; vooraf diende
de aannemer een proefpaal te slaan van 16 m. Het loon van

(Foto uit 1876. Het stoomgemaal in de Dorppolder in
aanbouw bij Schipluiden. De molen die er achter staat werd twee jaar later
afgebroken. Het is de oduste foto van een werk van de aannemers Visser uit
Papendrecht en komt uit de collectie van drs. H.A. Visser. Links bij de
keet met witte broek Martinus Visser, 3e van links met strohoed Jan
Visser, op plank midden vooraan de kleine man links zou Gerrit Visser
kunnen zijn, naast hem Mees Visser. Achteraan het polderbestuur en andere
genodigden. In de keet verbleven de buitenafwerkers)

(Stoomschepradgemaal van den Dorppolder. Schaal 1/100. Ontworpen door
T. van den Doll)
de timmerman, smid, metselaar, verver en steenhouwer bedroeg 20 cent per
uur; het loon van de sjouwers, opperman een aardwerker was 16 cent per
uur. Bij tien uur per dag dus f 2,- (=f 12 per week) of f 1,60 (=f
9,60 per week).
Het gebouw onder de kap en de schoorsteen diende in 3,5 maand opgetrokken
te zijn en het gehele werk moest in 5,5 maand klaar zijn; voor iedere dat
te laat gold een korting van f 10-. De betaling geschiedde in vijf
termijnen: de eerste als 1/10 van de fundeervloer was afgewerkt, de tweede
1/10 van het gehele werk klaar was tot de begane grond, de derde betaling
vond plaats als 1/5 van het gebouw waterdicht was opgeleverd en de
schoorsteen was opgetrokken. De vierde betaling werd gedaan als de helft
van het gehele werk ten genoegen van de directie was opgeleverd. De
laatste betaling, 1/10 van de aanneemsom, werd verricht als alles een maand
na oplevering opnieuw werd gekeurd. De aannemer bleef tot die tijd
aansprakelijk voor de schade en ongelukken welke door weer en wind zouden
worden veroorzaakt.
De aannemer moest ook zorgen voor het vervoer van de ketel e.d. naar het
gebouw. Hij diende zoveel mogelijk in overeenstemming met de vorderingen
van de fabrikant zijn werk voort te zetten. Mochten er evenwel
vertragingen bij de fabrikant van de ketel ontstaan, dan kon de aannemer
daarvoor geen vergoeding eisen. Over alle geschillen die zouden ontstaan,
viel de beslissing bij de directie.
De aanbesteding geschiedde op dinsdag 30 mei 1876 om 12 uur 's middags in
herberg De Valk te Schipluiden. Aanwezig waren namens het
polderbestuur Cornelis van der Wel, voorzitter; D. Verboom,
secretaris; Jan van der Kooy en Cornelis van der Wel Wzn, leden, alsmede
de commissieleden notaris A.M. Schagen van Leeuwen, P. de Koning en W.
Weinandts.
Het werk werd gegund aan Mees Visser, aannemer te Papendrecht,
voor de som van f 15.434. Borgen waren zijn broers Martinus Visser en
Jan Visser uit Papendrecht. Mees was toen 41 jaar en de
oudste zoon van Gerrit, Martinus was 31 en Jan 25 jaar. (Het is de
enige keer tot nu toe dat ik bij mij onderzoek heb bemerkt dat Martinus
borg was bij een werk. Hij ging in 1898 als aannemer de watertorenbouw in,
samen met Willem Bottenberg uit Oud-Beijerland)
(Situatieschets voor de bouw van het stoomgemaal te
Schipluiden 1876)
Deze gegevens komen uit het archief van het Hoogheemraadschap Delflanden
te Delft. Uit de voorwaarden kun je wel opmaken wat een groot risico de
aannemer liep. Als bijv. de bouw van de stoomketel voor het gemaal
achterliep, dan moest het hele werk wachten, en voor eigen risico, dus in
dit geval draaide Mees voor de kosten op.
Gerrit zal zijn werkvolk - heiers e.d. - wel uit het Oosteind gehaald
hebben. Vanaf de werf (zoals het bedrijfsterrein met opslagloods genoemd
werd) zal de stoomheikar, het stoomblok en ander bouwmateriaal wel op een
schuit in de Gantel zijn geladen. De werf lag buitendijks aan het
Oosteind. Verder ging hij alles nog met paard en wagen.
Ter plaatse van het werk werd een houten keet in elkaar getimmerd, waar
werd geslapen en gekookt. Eén keer in de een of twee weken kon men naar
huis als het werk verder weg was. Het zal niet zo erg gerieflijk geweest
zijn, met z'n allen eten en slapen voor zo lange tijd in zo'n betrekkelijk
klein onderkomen.
Uitvoerder op het werk was een van de gebroeders Visser. Verder was er een
opzichter van het polderbestuur, die de boel mee in de gaten hield. De
losse arbeiders werden meestal ter plaatse aangenomen.
Als een werk met wat verlies te maken kreeg of als er nieuw materiaal
gekocht moest worden, verkocht Gerrit enkele huizen of grond. In 1877
bezat hij nog negen woonhuizen, alsmede grond en weilanden en drie werven
voor opslag. Na deze tijd wordt hij niet meer genoemd, maar waarschijnlijk
zal hij tot zijn (plotselinge) dood in 1885 wel wat mee gemetseld hebben
in het dorp of gewerkt hebben in de werkplaats, waar hij op 73-jarige
leeftijd aan een hartaanval overleed. Zijn vrouw Pieternella overleefde
hem niet lang; zij overleed twee maanden later.
Ik heb nog niet onderzocht hoe na Gerrits dood het bouwmateriaal onder de
zoons werd verdeeld. Gerrit heeft in ieder geval bij leven het genoegen
mogen smaken dat zijn ondernemerschap door zijn zoons werd voortgezet en
steeds grotere werken - door heel Nederland - werden aangenomen. Daaronder
was bijv. in 1879 een stoomgemaal in Katwijk voor f 213.783 en in 1881 de
bouw van de watertoren te Dordrecht voor een bedrag van f 93.726.
(De aanbesteding voor het stoomschepradgemaal en een
kolenbergplaats enz voor de grote molen te Schipluiden. Met onderaan de
handtekeningen van de Gebr. Visser)
Nadere gegevens van de kinderen van Gerrit Visser en Pieternella Vink
1835-1908 Mees, metselaar/aannemer, huwde in 1861 met Helena
Kraal (Joand.); zij kregen 6 zoons en 1 dochter.
1837-1868 Cornelia, huwde in 1859 met schipper Cornelis van der
Tak (Maaikez); 3 zoons.
1839-1913 Adriaan, metselaar/aannemer, huwde 1e) Sijgje Zegelaar,
2e) Steintje Baldé; geen kinderen.
1841-1922 Pleun, metselaar, huwde in 1867 Marrigje van der Tak
Teunisdr; 4 zoons, 5 dochters.
1843-... Elisabeth, huwde in 1885 Martinus Dekker Pieterszn;
1 zoon;
1845-1930 Martinus, metselaar/aannemer, huwt in 1870 Adriana van
de Graaf, 4 zoons, 4 dochters;
1851-1913 Jan, architect/aannemer, huwt in 1878 Heiltje
Rijshouwer Pieters Antoniedr; 3 zoons, 3 dochters;
Overzicht aannemersfamilie Visser te Papendrecht |