De diversiteit van hun werken was groot. Zij bouwden even gemakelijk een
watertoren als stoomgemalen, scholen, gemeentehuis, kadewerken,
havenwerken of fundaties van gashouders. Ook bleven zij niet dicht bij
huis, maar werd er overal gebouwd, zoals in Vlissingen, Goes, Katwijk,
Haarlem, Amsterdam, Nederhemert, Mastenbroek, Zutphen, Strijen en
Dordrecht. Na het overlijden van vader Gerrit in 1885 gingen de
broers zich steeds meer afzonderlijk specialiseren. Adriaan ging
een compagnonschap aan met Gerrit Klootwijk, die eerst uitvoerder
was bij de Gebrs. Visser van heiwerken en fundaties. Mees bleef bij
de bouw van stoomgemalen (en onderbouw bruggen en werk aan kanalen) en had
zoons die al meewerkten. Jan richtte zich steeds meer op het
baggerwerk en nam nogal eens een werk aan met een groot risico.
Tussen de broers ging het steeds meer rommelen en het werd moeilijk om de
vrede te bewaren. Martinus en Pleun kregen intussen ook
grote zoons, die meewerkten en voor zichzelf wilden beginnen. In 1880 werd
nog gezamenlijk een werk aangenomen, nl. een stoomgemaal bij
Sluipwijk/Reeuwijk voor en bedrag van f 19.190. Daarna gingen de broers
ieder hun eigen weg, al stonden zij elkaar wel bij als borg als dat nodig
was.
Enkele verslagen van werken van de GEBOEDERS VISSER
In 1879 besloot het Hoogheemraadschap Rijnlanden een stoomgemaal te bouwen
in Katwijk bij de grote uitwateringssluis. Het werk werd begroot op een
bedrag van f 280.000. De stoommachines werden in Duitsland besteld voor f
42.000. Onder de inschrijvers voor het werk bevonden zich ook Jan
Visser Gzn, aannemer te Papendrecht (28 jr.) en Arnoldus Jan
Schouten (37 jr.), aannemer te Alphen a.d. Rijn, met de laagste
inschrijving, t.w. f 213.780. Op 2 januari 1880 werd hun het werk gegeund.
De hoofdingenieur van Rijnland, ir E.F. van Dissel, informeerde toch voor
de goede gang van zaken naar het werk van de Gebrs. Visser in Kampen en
naar een stoomgemaal in Mastenbroek dat ze in 1878 hadden gebouwd. Het
antwoord was gunstig.

(30 december 1879; Balans opgemaakt den 5 Juli 1881 door
Visser & Schouten betreffende het stoomgemaal te Katwijk a/Zee)
Jan deed de berekening nog eens over en bemerkte al gauw dat hij de
aanneemsom te laag ingeschreven had. Hij vroeg daarop een verhoging van
het bedrag van f 23.000, en of zij hem als dat niet mogelijk was wilden
ontslaan van hun inschrijving. Het bestuur ging echter akkoord met de
verhoging.
De borgen bij dit grote werk (want, wat zou het omgerekend in de
tegenwoordige tijd wel niet kosten!) waren: Mees Visser Gzn, aannemer te
Papendrecht en Willem Antonie Luyten, grootgrondbezitter te Lekkerkerk.
Willem was de schoonvader van Arnoldus Jan Schouten, die in 1843 was
geboren te Dordrecht als zoon van Jan Schouten Janz, houtkoopman te
Dordrecht, en Louise Hayse van Hattem. Arnoldus was eerst aannemer te
Alphen a.d. Rijn en in 1886 in Gouda. De familie Schouten was zeer
welgesteld en zat in de scheepsbouw en de houthandel te Dordrecht. Opa
Schouten (1786-1852) was een markant figuur in Dordrecht en lid van de
Tweede Kamer. Arnold Jan trouwde met Jacomina Adriana Luyten, geb. 1842 te
Lekkerkerk.
Jan had al eerder een werk aangenomen met Arnoldus Jan Schouten; nl. in
1878 bij Everdingen en tot 1890 zou hij dat blijven doen.
De hoofdingenieur van Rijnland, ir. E.F. van Dissel, had de leiding over
het werk en werkte later nog vele malen met de Gebrs. Visser samen.
Opzichter was L.A. van Mels en de geldzaken werden geregeld door bankier Zadoks
& Zn te Dordrecht.
Het was een moeilijk werk zal vlak bij zee en 1.80 m onder A.P. Zij kwamen
al gauw in de problemen en hadden te kampen met slechte
weersomstandigheden. In oktober/november 1880 konden zij weken niet werken
vanwege zware regenval. Bovendien kwam er een late winter achteraan, want
op 2 maart lag er nog ijs in het kanaal en kon er met de schepraderen niet
proefgedraaid worden.
Zij kregen het werk dan ook niet op tijd af, maar ontvingen toch hun
voorschot op de aanneemsom. De verliezen liepen evenwel op tot f 27.000 en
zij hadden niet voldoende middelen om het erk voort te zetten. Vader
Gerrit verkocht nog wat land en een paar huizen, maar het lukte niet en in
juli 1881 gaven Jan en Arnoldus de opdracht terug. Ze schreven dat het
verlies en het te laat klaar zijn met het werk niet zozeer de tegenspoed
was, maar dat zij het werk te laag hadden berekend.
Het bestuur gaf hen evenwel nog een voorschot en zij konden zo het werk
toch nog afmaken. Het stoomgemaal heeft tot begin jaren vijftig in Katwijk
gestaan.
(Stoomgemaal te Katwijk, 1879-1881, gebouwd door Gebrs.
Visser te Papendrecht)
De Gebroeders Visser lieten zich door alle vorige tegenspoed niet
ontmoedigen en schreven weer in voor een groot werk, namelijk de bouw van
een watertoren te Dordrecht.
In december 1881 kon er ingeschreven worden. Het ontwerp van de watertoren
was gemaakt door de directeur van gemeentewerken te Dordrecht, dhr. J.A.
van der Kloes, en de opdrachtgever was de gemeente aldaar.
Er moesten 350 palen van 14 meter onder de toren geheid worden en het
waterreservoir lag op 24 meter hoogte. Opzichter bij het werk was civiel
ignenieur J. Meyes JWzn. Het werk moest 15 februari 1883 klaar zijn,
tenzij weersomstandigheden dit onmogelijk maakten.
(Watertoren te Dordrecht, 1882-1883, gebouwd door de
Gebrs. Visser te Papendrecht)
Voor het maken van de watertoren en het ketelhuis voor een hogedruk
waterleiding schreven de volgende aannemers in:
L. de Rooy, Den Haag f 138,900; W. Lammers, Strijen f 129.458; C. Meyers,
Den Haag f 125.990; Jan Smit III, Slikkerveer f 119.800; W. Boomstra,
Moordrecht f 119,800; H. Degens, Dordrecht f 114.875; N. Klaus, Dordrecht
f 109.989; de wed. G. Camesi & Co, Rotterdam f 109,800; P. Verbrugge,
Waddinxveen f 108.632; H. Stelwagen, Rotterdam f 104.100 en J. Visser Gzn,
Papendrecht f 95.726.
Ook schreef Jan in voor de bezinkvijvers, voor f 88.400. Hij had allerlei
onderzoek naar nieuwe methodes gedaan. Het bedrag werd echter te hoog
bevonden en er vond een herbesteding plaats. Er was slechts 1 aannemer die
zich aanbood voor een lager bedrag en die het werk in 4 1/2 maand kon
doen, nl. aannemer Bouterse.
Jan vorozag al allerlei problemen met deze aannemer Bouterse en zag ook
dat deze zich niet aan het bestek hield, waardoor zijn werk ook in de
problemen kwam. Hij waarschuwde de directeur van gemeentewerken en kwam
met andere voorstellen, die echter werden afgedaan met "moeilijk
gedrag". Er kwam evenwel een hoorzitting bij de gemeenteraad. Toen
het werk klaar was bleken er namelijk diverse fouten te zijn gemaakt.
Aannemer Bouterse kreeg een deel van de aannemsom niet uitbetaald en een
ander moest het werk herstellen. De directeur van gemeentewerken zag geen
andere keus dan af te treden en Jan Visser Gzn werd in het gelijk gesteld.
Het laatste gezamenlijke werk van de gebroeders Visser, 1890
Op 2 april vond er een aanbesteding plaats voor de bouw van een
stoomgemaal aan de Vogelesangse watering bij Sluipwijk/Reeuwijk.
Opdrachtgever was het polderbestuur van Broekvelder en Vettebroekpolder.
Voorzitter was H. Vis, secretaris: D. Kruyt. Inschrijvers waren: P.
Verbrugge te Waddinxveen f 24.864; C. van Tilburg te Nooddorp f 21.500;
H.J. Nederhorst, Gouda f 21.187; W. Bokhove, Gouda f 20.580; C.P.W.
Dessing, Gouda f 20.500; C. Romijn, Haarlem f 20.479; J. Visser Gzn,
Papendrecht f 19.870; A. Michael Jzn, Aalburg f 19.800; G. Boot, Reeuwijk
f 19.750; S. van Soest, Mijdrecht f 19.547; A. van Soest, Kockengen
(Het laatste werk. Stoomgemaal, gebouwd door de Gebrs.
Visser. Aannemer: Mees Visser Gzn.)
f 19.500; Mees Visser, Papendrecht f 19.190; welke laatste zeer gunstig
bekend stond, ook wat de borgen betrof, bij de hoofdingenieur van
Rijnland, it. E.F. van Dissel. Deze was tevens opzichter bij het werk en
had veel met de gebroeders samengewerkt. Mees Visser kreeg de opdracht.
De stoomketels en machines werden besteld bij de Phoenix fabriek te Gent.
Uit het notulenboek van het polderbestuur:
25 sept. 1890: De aannemer (Mees Visser) van het gebouw van het
stoomgemaal is niet van plan schade te lijden omdat de machines niet op
tijd klaar zijn vanwege de staking in Gent bij de fabriek. Hij kan niet
verder met zijn werk. Er is een advocaat in de arm genomen, mr. J. Fortuyn
Drooglever en de borgen zijn ingelicht.
(Volgens de voorwaarden in het bestek kan de aannemer hiervoor geen
vergoeding krijgen en is dat eigen risico, tenzij het bestuur anders
beslist)
24 oktober: Mees doet zijn beklag bij het polderbestuur over de al geleden
schade. Hij kan niet verder met de bouw totdat de ketel en de machines er
zijn. (Er is overleg met mr. Fortuyn Drooglever geweest)
De hoofdopzichter, ir. Van Dissel, wordt naar Gent gestuurd om te kijken
hoe het er voor staat bij de Phoenix fabriek. Op 29 november zullen de
machines afgezonden worden en 5 december zullen zij op de plaats van
bestemming zijn.
30 april 1891: Mees Visser krijgt een schadevergoeding van f 925.-. Er
staat niet in de notulen of hij hier genoegen mee heeft genomen.
Erg veel materiaal hadden zij niet. Wel hadden de broers werven
buitendijks met een loods voor opslag en reparatie, een werkplaats,
kruiwegens, kruiplanken, een speciemolen, speciekuipen, ladders en
steigermateriaal, een keet om in te verblijven, enkele platte bakken voor
vervoer over water, 4/5 stoomheikarren met een Hollandse stelling, diverse
heiblokken, een heistelling, palen, enz.
Papendrecht 1868-1890
Het dorp begon langzaam te veranderen. Was het eerst een boerengemeente,
nu kwamen er steeds meer scheepswerven, o.a. van de families Verheul, Van
der Esch en Duyvendijk. Ook het aantal beurtschippers nam toe. De eerste
aannemer in het dorp was Huibert de Borst, die in 1862 werk aannam voor
het aanleggen van een strekdam in de Maas. Later ging hij samen met zijn broer Adriaan en Cornelis het baggerbedrijf in en maakten zij de onderbouw
voor bruggen. Huibert was van 1826, zoon van Cornelis de Borst en Maaike
Verdoorn en getrouwd met Pieternella Visser. Hij had in de
Visschersbuurt buitendijks een werf met opslag en in de Gantel erachter
lagen zijn schepen.
In 1871 kwam vanuit Breskens de baggeraar Isaak van der Velden met zijn
bedrijf naar Papendrecht. Hij woonde met zijn gezin op Kerkbuurt 112 en
had een werf bij het Slobbengors. Daar lagen ook de schepen, die de naam Holland
droegen. Zijn zoon zette het bedrijf later voort. Ook kwam er een
machinefabriek en wel aan de Noordhoek. In 1880 vroeg C.J. Wilton van
Reede de gemeente toestemming er een machinefabriek te mogen vestigen om
stoomwerktuigen e.d. te mogen maken. Er kwamen een bankwerkerij,
draaierij, modelmakerij, smederij en een ketelmakerij.
Mees Visser Gerritsz, metselaar/aannemer 1835-1908 te Papendrecht
Mees groeide op aan het Oosteind en leerde het vak van zijn vader, dat van
metselaar. Hij werkte samen met zijn vader en broers in de huizenbouw, de
aannemerij, als Gebroeders Visser en ging na 1890 zelfstandig verder.
In 1861 trouwde hij te Papendrecht met Helena Kraal (1834-1900) uit het
Westeinde te Papendrecht, dochter van Joan Kraal Barendsz (Boer) en
Neeltje Matena Ariense. Ze gingen in het Oosteind wonen, maar toen er een
paar jaar later onenigheid ontstond met zijn vader vertrok Mees met zijn
gezin naar Sliedrecht. Die onenigheid werd toch weer bijgelegd en in
september 1868, het jaar waarin Mees en zijn vrouw ook erfden van zijn
schoonouders, nam hij namens de Gebrs. Visser als aannemer het eerste werk
aan buiten Papendrecht. Hij was toen 32 jaar. Het betrof de bouw van een
school met onderwijzerswoning te Goudswaard.
(Mees Visser Gz 1835-1908)[Fotograaf H.J. Tollens C.Hzn,
Dordrecht, Voorstraat 289; foto ca 1890]
(Zijn echtgenote Helena Kraal, 1834-1900)[Fotograaf H.J. Tollens C.Hzn,
Dordrecht, Voorstraat 289; foto ca 1890]
Zijn hart trok toch naar Papendrecht en Mees bouwde voor zichzelf
buitendijks een nieuw huis aan het Oosteind. Eveneens dat jaar 1868 bouwde
Mees in het eigen dorp een stoomgemaal, een flinke klus. Ze werksten
intussen met een stoomheistelling en volgens een afgifte van het
stoomwezen bezat hij in 1878 twee stoomheistellingen, die op Mees' naam
staan.
Mees bleef een eenvoudig man, was rustig van aard en hield niet van
uiterlijk vertoon. Uit een belastingopgave uit 1883 blijkt dat zijn
interieur eenvoudig was, f 80 waard, tegen dat van zijn broers f 300. Mees
had een groot gezin en een vrouw die nogal opvliegerig van aard was. Zij
maakte soms zo erg ruzie dat zij door de politie aangehouden werd en een
boete kreeg van f 1,- voor 'eenvoudige belediging'; wat dat inhield wordt
niet vermeld. Ook hield Mees er niet van in besturen e.d. te zitten.
In 1900 woonde hij als weduwnaar aan het Westeind en had daar zijn
gescheiden dochter Neeltje in huis, alsmede zijn zoon Adrianus,
die weduwnaar was, met diens zoontje. In 1890 werkten er vier zoons van
hem in het bedrijf en vanaf dat jaar nam hij samen met zijn zoon Teunis
Johannes werken aan. Tot 1904 blijft hij aannemer en bouwde de HBS aan
de Oranjelaan te Dordrecht, werkte bij het Merwedekanaal in Utrecht en
maakte sluiswerk, herstelde glooiingen en remmingwerk van draaibruggen in
kanalen te Zuid-Beveland. Zijn zoon Gerrit had vanaf 1890 een eigen
sleepboot.
In 1904 kocht Mees binnendijks grond van de familie Hello in de
Visschersbuurt voor f 2045, waar zijn zoon Teunis Johannes een
nieuw huis bouwde. En aan de overkant buitendijks aan de Gantel, waar de
werf kwam, met opslag van materiaal, want Teunis was net als zijn vader
aannemer. Mees woonde tot zijn overlijden in 1908 bij zijn zoon in. Zijn
zoon Adrianus ging in zijn vaders huis aan het Westeind wonen. Ook
hij was aannemer. Twee andere zoons, Mees en Gerrit, gingen
in Dordrecht wonen en hadden eigen schepen en sleepboten in de vaart. De
zoons Pieter en Johan waren bij hun vader in dienst; de
eerste als schipper en de tweede als timmerman.
De kinderen van Mees en Helena waren:
- Gerrit (1862), schipper, huwt Willemina Giffard, naar Dordrecht, 1 zoon;
- Neeltje (1864), huwt 1892 Cornelis Visser (gesch. 1900), geen kinderen;
- Johan (1866-1909), timmerman, huwt Maria Snijders te Waalwijk, 1 zoon, 1
dochter;
- Mees (1869 Sliedrecht), schipper, huwt 1895 Hendrika Vos, naar
Dordrecht;
- Teunis Johannes (1871), timmerman/aannemer, huwt 1864 te Wemeldingen
Maria Kole (gesch. 1916);
- Pieter Cornelis (1872), schipper, huwt Pietertje Hartmeyer;
- Adrianus (1876), timmerman/aannemer, huwt 1901 Hermijntje Hardam.
Jan Visser Gerritzn, architect/aannemer 1851-1913 te Papendrecht
Jan werd geboren en groeide op in het Oosteind. Hij was het nakomertje in
het gezin en scheelde zestien jaar met zijn oudste broer Mees. Als enige
in het gezin keerde hij wat door, aan de avondtekenschool te Dordrecht.
Jan maakte als architect sommige ontwerpen voor de Gebrs. Visser, zoals
inn 1874 voor de westelijke en oostelijke school van Papendrecht en voor
het eerste gemeentehuis aldaar. Ook was hij borg voor werk dat zijn broer
Mees in 1876 te Schipluiden had aangenomen; hij was toen pas 25 jaar.
Jan trouwde in 1878 met Heiltje Rijshouwer (1851-1939), dochter van Maria
Veth en een welgestelde korenmolenaar, Pieter Antonie Risjhouwer, eigenaar
van de korenmolen aan de kerkbuurt te Papendrecht. Hij woonde de eerste
jaren van zijn huwelijk aan het Oosteind. In 1879 werd Jan aangesteld als
gemeenteontvanger. Dat jaar nam hij ook zijn eerste werk aan namens de
Gebroeders Visser,
(Jan Visser Gzn, 1851-1913, architect, aannemer,
gemeenteraadslid)[Fotograaf Gideon M. Brugman, Voorstraat 102,
Dordrecht; foto ca 1910]
(Heiltje Visser-Rijshouwer)[Fotograaf Gideon M. Brugman, Voorstraat 102,
Dordrecht; foto ca 1910]
nl. te Everdingen, samen met Arnoldus J. Schouten, aannemer te Alphen a.d.
Rijn, en Isaak v.d. Velden, baggeraar te Papendrecht. Jan bezat dan ook
een eigen heistelling op stoom. Hij was de meest bevlogen en vooruitstrevende van de broers en
durfde nogal eens risoco's te nemen die
anderen te ver gingen. Jan droeg niet allen nieuwe ideeën aan, maar
voerde ook grote werken uit, zoals het stoomgemaal te Katwijk voor f
236.000 en de watertoren te Dordrecht voor f 95.000. Hij behoorde al gauw
tot de notabelen van het dorp.
Zijn vrouw kwam uit welgestelde, wat wereldse

(Het gezin van Jan Visser Gzn (1851-1913). V.l.n.r.
achter: Jan Visser Gzn en zijn vrouw Heiltje Visser-Rijshouwer, met baby
Philippina op de arm en het kindermeisje. Vooraan v.l.n.r.: Gerrit (1881),
Pieternella (1886), met kruiwagen Pieter (1887), Maria Pieternella (182).
Tussen Jan Visser en Pieternella: Hendrik (1879). Foto ca. 1890.)
(Woonhuis van Jan Visser Gzn, Bosch 49/51 te Papendrecht)
kringen. Beiden waren vooruitstrevend. Het echtpaar werd door de andere
broers als veel te werelds beschouwd en dezen hadden veel kritiek op hen.
Hun huis was duurder ingericht; het duurst van de broers, volgens de
belastingopgave van f 400,-. In 1868 gingen Jan en zijn vrouw van het
Oosteind weg en aan het Bosch wonen, tegenover het gemeentehuis en naast
de burgemeester. Jan was intussen lid van de gemeenteraad geworden. Achter
zijn houten woning (Bosch 49/51) liet hij een stenen gebouwtje neerzetten,
waar warm water gestookt kon worden, de was gedaan en in bad gegaan werd.
Jan vond dat de Gebroeders Visser ook het baggerwerk in konden gaan en
schafte een eigen baggerschip aan. Hij had ook een eigen werf in de
Kerkbuurt, buitendijks tegenover de korenmolen. Er stond een loods op voor
de bouwmaterialen en er was een haven waar zijn schepen lagen.
Als het aan Jan gelegen had, met zijn nieuwe ideeën en ondernemerschap,
was Papendrecht een tweede Sliedrecht geworden, maar hij was voor dit toch
nog boerendorp zijn tijd te ver vooruit. Na 1890 nam hij als zelfstandig
aannemer steeds meer baggerwerken aan, bijv. het kanaal door Zuid-Beveland
en in het Merwedekanaal. Zijn zoon Gerrit Pieter Antonie
kwam bij hem in het bedrijf werken, zoon Hendrik Cornelis had een
eigen technisch bureau. Dochter Maria Pieternella trouwde in 1903
met Antonie van Rossum - van Van Rossum's motoren te Papendrecht.
De laatste jaren van zijn leven deed hij het wat rustiger aan; hij was
hartpatiënt, en overleed in 1913 op 62-jarige eleftijd. Zijn vrouw
oveleefde hem 26 jaar.
Kinderen Jan en Heiltje:
- Hendrik Cornelis (1879-1948), werktuigkundige, huwde 1910 Adriana de
Kok, 1 dochter;
- Gerrit Pieter Antonie (1881-1946), aannemer, huwde 1913 Elisabeth P. van
Bommel, 1 zoon en 1 dochter;
- Maria Pieternella (1882-1955), huwde 1903 Antonie van Rossum, 2 zoons, 4
dochter;
- Pieternella Elisabeth (1886), ongehuwd;
- Pieter Antonie (1887), ongehuwd;
- Philippina Jenneke (1890), ongehuwd;
Bron: gegevens komen uit de archieven van het Hoogheemraadschap
Leiden; Gemeentearchief te Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht; boek over
het stoomwezen door J.A.W. Nieuwpoort.
De volgende aflevering gaat over de andere drie van de Gebroeders
Visser, nl. Martinus, Pleun en Adriaan Visser en de derde generatie
aannemers Visser, vanaf 1890-1930. |