ADRIAAN VISSER GERRITZN
(1839-1913), metselaar/aannemer te Papendrecht.
Adriaan werd geboren en groeide op in het Oosteind. Hij werkte jaren samen
met zijn vader Gerrit en zijn oudste broer Mees als metselaar. Na
onenigheid met zijn vader woonde hij net als Mees enkele jaren in
Sliedrecht en trouwde daar in 1867 met Sijgje Zegelaar, die kort na de
geboorte van hun enige kind, Mees, overleed. Ook zijn zoontje overleed, 5
maanden oud.
In 1871 woonde Adriaan weer in zijn geliefde Oosteind en belegde zijn geld
in huizen, grond en water. Op zijn vijftigste jaar hertrouwde hij met de
weduwe Steintje Baldé, eveneens 50 jaar oud, die in de familie berucht
was om haar zuinigheid.
Adriaan nam soms een werk aan namens de Gebr. Visser, o.a. de oostelijke
en westelijke school in Papendrecht, maar hij ging meer op pad voor werk,
o.a. voor funderingen van gashouders in Dordrecht en Zutphen.
Na het overlijden van vader Gerrit in 1885 en de erfdeling in 1886 ging
Adriaan samenwerken met Gerrit Klootwijk, die tot die tijd uitvoerder was
bij de Gebr. Visser. Samen namen zij niet alleen werken aan, maar
beschikten ook over twee heistellingen op stoom; in 1890 hadden zij vijf
man in dienst.
Tevens schafte Adriaan een eigen sleepboot aan, waarop zijn neef Cornelis
van der Tak (1861), zoon van zijn zuster Cornelia, kapitein was. Na 1895
ging Adriaan rentenieren en zette Gerrit Klootwijk als zelfstandig
aannemer hun bedrijf voort, eveneens in het Oosteind. Adriaan bleef
betrokken bij het werken van zijn broers en dat van Gerrit Klootwijk en
stond vele malen borg voor werk van hen.
(Detail uit brief burgemeester Papendrecht van 16
december 1891 aan de Staatsspoorwegen over werkzaamheden aan de
spoorbruggen bij Dordrecht.)
In 1920 werd de nalatenschap van Adriaan door notaris Bos te Papendrecht
verdeeld; getuige was Gerrit Klootwijk. Er leefden toen nog twee broers
van Adriaan: Pleun en Martinus en vele neven en nichten, dertig personen
in totaal.
In Papendrecht en Sliedrecht had Adriaan twaalf huizen, grond en water.
Ook waren er bezittingen in Dordrecht; er viel f 30.000 te verdelen. Voor
die tijd toch een aardig bedrag en de familie zal wel blij geweest zijn
met zo'n suiker-oom.
AANNEMERSBEDRIJF GERRIT KLOOTWIJK
Als uitvoerder bij de Gebr. Visser kwam timmerman Gerrit Klootwijk in
Papendrecht wonen. Hij was geboren in 1850 te Goidsschalkoord, als zoon
van Jan Klootwijk en Willemijntje Vollaart, overleden in 1937 te
Papendrecht. Gerrit trouwde in 1875 met Arietje van den Adel (1855-1897),
dochter van Arie van den Adel en Johanna de Heer.
Waarschijnlijk is hij bij de Gebr. Visser tijdens een werk in de Hoekse
Waard in dienst gekomen, evenals zijn broer Mozes Klootwijk (metselaar),
die ook in Papendrecht ging wonen. Het gezin Klootwijk woonde aan het
Oosteind, maar Gerrit nam zijn vrouw ook wel mee naar het werk als
uitvoerder. Tijdens de bouw van een stoomgemaal in Mastenbroek werd zijn
dochter Willemina geboren, in Genemuiden, waar het echtpaar tijdelijk
verbleef.
In 1886 ging Gerrit als aannemer samenwerken met Adriaan Visser. Toen deze
in 1895 ging rentenieren, zette Gerrit als zelfstandig aannemer het
bedrijf voort. Hij was bevriend met de andere broers Visser, in het
bijzonder met Mart Visser, met wie hij bij de uitvoering van grotere
werken van de Gebr. Visser samenwerkte. Zij waren ook getuige bij de
aangiftte van elkaars kinderen en stonden voor elkaar borg bij een werk.
Zij schreven in op dezelfde werken en ook Gerrit schafte zich een
Scheveningse bom aan (een zeer stabiel vissersschip) om er een heistelling
op te kunnen plaatsen, nadat Mart Visser daar al een paar jaar eerder mee
aan de slag was gegaan (voor heiwerken op het water).
De zaken gingen goed en er werd zelfs werk aangenomen in China (1907). Bij
de stad Shanghai moest een haven worden aangelegd. Gerrit voerde het werk
uit, samen met Van Hattem en Blankevoort uit Sliedrecht. Het materiaal was
drie maanden onderweg en zoon Willem Klootwijk (1876) ging er als
uitvoerder met zijn gezin heen. Willem was in 1902 getrouwd met
Pieternella Johanna Kamermans (1877-1961), d.v. Bastiaan Kamermans
(kastelein in het Westeind te Papendrecht) en Annigje Ottevanger. Het
gezin bleef drie jaar weg.
In1909 liet Gerrit Klootwijk een groot huis bouwen in de Kerkbuurt, nr.
110, dat er nog staat. In 1917 had hij een jaarinkomen van f 10.000 en
zijn zoon Willem verdiende f 2000 per jaar. Tot de crisis, ca. 1930, bleef
het bedrijf bestaan.
Kinderen van Gerrit Klootwijk en Arietje van den Adel
- Willem (1876), aannemer, huwde 1902 Pieternella Joh. Kamermans, 4 zoons
en 3 dochters;
- Willemina (1878), huwde 1899 Teunis Verheul, boer in het Westeind te
Genemuiden;
- Pieternella (1880), huwde ... Van de Graaf;
- Johanna (1882), huwde Isak Kievit, predikant;
- Janna Ariena (1888), huwde 1916 Dirk Jacob van de Graaf,
predikant;
(Aannemer Gerrit Klootwijk (1850-1937) uit Papendrecht met de hollandse
stelling voor werk op het water (ca 1898), op een Scheveningse bom
gebouwd. Derde van rechts is Gerrit Klootwijk)
PLEUN VISSER GERRITZN (1841-1922), metselaar te Papendrecht
Pleun leefde van de Gebrs. Visser het meest op de achtergrond en was tot
1890 als metselaar/voorman bij zijn broers in dienst. Na 1890 werkte hij
als zelfstandig metselaar samen met zijn zoons Gerrit (geb. 1869) en
Teunis (geb. 1875), o.a. bij de herbouw van vijf huizen in het Oosteind na
een grote brand in 1900. Verder bleef hij werken voor de aannemers Mart en
Jan Teunis Visser aan de watertorens die zij door heel Nederland heen
bouwden.
Hij woonde zijn hele leven in het Oosteind en trouwde in 1867 met een
meisje uit dat deel van Papendrecht, t.w. Marigje van der Tak (1844-1910),
d.v. Teunis van der Tak Johzn (hoepmaker) en Maria van den Adel.
Van het grote gezin dat zij kregen bleven negen kinderen in leven. Bij de
vele geboorte-aangiften kan je zien hoe vaak Pleun van huis was voor een
werk bij de Gebr. Visser ('vader afwezig' staat er dan in de akte).
De oudste zoon Gerrit vertrok met zijn vrouw naar Amerika en bleef daar.
Zijn oduste dochter Pleuntje overleed op twintigjarige leeftijd en haar
zoontje Jan Veth van 1 jaar groeide op bij zijn grootouders, zoals dat in
die tijd gebruikelijk was, zolang de vader, Jacob Veth, niet hertrouwde.
Het gezin van Pleun Visser was actief in het verenigingsleven aan het
Oosteind en richtte in 1895 de gemengde zangvereniging De Harmonie
op; alle kinderen waren er lid van, evenals hun toekomstige man of vrouw.
Zoon Gerrit zat in het eerste bestuur. Pleuns schoonzoons Leen Besemer en
Joost Matena gingen als heier bij Visser en Smit werken. Zijn zoons
Teunis, Mees en Pleun hebben het werk van hun vader als metselaar/aannemer
tot 1920 voortgezet; daarna gingen Mees en Pleun samen verder.
Kinderen van Pleun Visser en Marigje van der Tak
- Pleuntje (1865-1886), huwde 1885 Jacob Veth; 1 zoon (Pleuntje
werd geëcht bij het huwelijk van haar ouders);
- Gerrit (1869), metselaar, huwde 1898 Pieternella Dekker Ariedr.;
2 dochters; vertrok begin 1900 naar de USA;
- Cornelia (1870-1949), huwde 1892 Hendrik van Dalen Czn, bouwman;
7 zoons, 3 dochters;
- Maria (1872-1913), huwde 1894 Joost Matena Joostzn, heier; 3
zoons, 4 dochters;
- Teunis (1875-1953), metselaar, huwde 1904 Johanna Roodbol; 1
zoon, 1 dochter;
- Pieternella (1877-1912), huwde 1901 Leen Besemer Gijsbertzn
(heier); 2 zoons, 3 dochters;
- Elisabeth (1881-1951), ongehuwd;
- Mees (1886-1945), metselaar/aannemer, huwde 1918 Gerrigje Dekker
Ariedr.; 2 zoons, 1 dochter;
- Pleun (1887-), metselaar/aannemer, huwde 1912 Susanna Dekker
Jandr.; 2 zoons, 3 dochters;
TIJDSBEELD VAN PAPENDRECHT ROND 1890/1900 EN ENKELE TIJDGENOTEN VAN DE
FAMILEI VISSER
Papendrecht telde rond 1890 zo'n 2995 inwoners, van wie er 307 belasting
betaalden. De bevolking bestond inhoofdzaak uit boeren en enkele grote en
kleine aannemers. Er waren o.a. een aantal scheepswerven, een
machinefabriek en twee grote hoepmakerijen. Windkorenmolen De Hoop
(gebouwd in 1813) in de 'Molenbuurt' werd in 1918 gesloopt. Op die plaats
bouwde G. Visser in 1920 zijn woonhuis Kerkbuurt 120. Ook werd in de
Molenbuurt in 1905 de eerste christelijk school van het dorp gebouwd,
bestaande uit drie lokalen. Men beschikte sinds 1881 reeds over een
openbare school aan het Oosteind.
Voor het 'Dorp aan de rivier', zoals drs. H.A. Visser, Papendrecht,
zo mooi beschrijft, waren de Fop-Smitboten van onschatbare waarde, ondanks
de 'Betuwespoorlijn' van Dordt over de Baanhoek-spoorbrug richting Betuwe.
In 1869 vervoerden de boten bijna 800.000 passagiers.
(Dit zijn allemaal 'Oosteinders'. Eerste rij van rechts
naar links: Pieternella Visser Pldr (1877), Barbera Besemer Gdr, Marie
Verwey, Elisabeth Visser Pldr (181), Janna Beth de Grijp, Pietje Klootwijk
Gdr (1880). Tweede rij van rechts naar links: Marigje Put (xHoldermans),
Adriana Kraal (1883), ??, Volksje van Wijngaarden, ??, ?? van Wijngaarden,
Marie v.d. Graaf, Janna grit Vink, Trui van Aken, ??, Marie Besemer Gdr
(1882). Derde rij van rechts naar links: ??, Teunis Visser Plzn (1875),
Gijs Besemer Gzn (1877), ??, ??. Vierde rij van rechts naar links: Teunis
Besemer Gzn (1879), Gerrit Visser Plzn (1869), Adriaan Dekker, ??, ??
Donker, Hannes van Wijngaarden, Leen Besemer Gzn (1877 (xPieternella
Visser Plndr), ??. Naast het vaandel: Dirk Besemer Gzn (1879) en dirigent
de heer Hazenbroek. Allen leden van zangvereniging 'De Harmonie',
opgericht 1895 in het Oosteind van Papendrecht.)
Belastingaanslag
De volgende personen stonden redelijk hoog op de maatschappelijke ladder
en betaalden ook belasting daarnaar:
nr. 017. Willem van der Esch Bzn, scheepbouwer, lid van de gemeenteraad f
50
nr. 037. Adriaan Visser Gzn, aannemer f 35
nr. 038. Jacob van Wijngaarden Dzn, aannemer f 35
nr. 046. Jan Visser Gzn, aannemer, lid gemeenteraad f 30
nr. 088. Mees Visser Gzn, aannemer f 12,50
nr. 094. Martinus Visser Gzn, aannemer f 12,50
nr. 097. Jacobus Groen, schilder f 12,50
nr. 107. Mathijs van Rossum, smid f 10.-
nr. 149. Pleun Visser Gzn, metselaar f 5,-
nr. 176 Gerrit Klootwijk, aannemer f 5,-
Lang niet iedereen ging met de hoogte van de belastingaanslag. Sommigen
schreven zelfs een brief of lieten die schrijven naar de gemeenteraad.
Ook Jacobus Ooms tekende protest aan. Hij werd geboren in 1864, als
zoon van Klaas Ooms en Alida Verheul in het Westeind en trouwde in 1893
met Annigje van de Kevie.
Ooms schrijft o.a. in zijn brief van 16 juni 1894:
"Dhr Jacobus Ooms Klzn laat weten bezwaar te hebben tegen zijn
belastingaanslag (f 10,-). Ik vind het vreemd dat andere boerenzoons die
ook pas getrouwd zijn en voor hun eige zijn begonnen maar f 2,50 hoeven te
betalen, terwijl ik gelijk op f 10,- ben gezet. Ik vind het een ognehord
iets, ik heb op dit ogenblik nog geen koe van mij zelve, ik ben op het
gemeentehuis geweest en de lijst van belasting nauwkeurig nagezien. Dan
sta ik gelijk met Jan van Dalen Lzn, een man die een eigen huis heeft, een
flinke stal vee heeft en nog een huis verhuurd en zeker nog veel geld
heeft en ik gelijk staat aan Dirk Dekker Czn. Die koopt land op land en
heeft het zo goed wegens zijn vrouws kant, behalve dat hij nog van zij
eigen kant te wachten staat (te erven).
(Naam en voornaam van de belastingschuldigen,
Papendrecht 1890)
Ik geloof dat er met mij nogal verschil bestaat en zij het beter kunnen
betalen, raadsleden heb ik aangesproken en hoop op een wijziging van de
anslag. Ik vind het ongehoord.
Uw onderdanige dienaar J. Ooms"
De tijden zijn toch niet zo erg veel veranderd. Ook toen dacht men al gauw
te veel belasting te betalen en dat anderen meer bezaten dan zijzelf. Men
hield elkaar nauwlettend in het oog en men wist veel van elkaar af in het
dorp. De twee boeren over wie Jacobus Ooms het had, waren Jan van Dalen
Lzn (1837-1914), getrouwd met Janna Dekker, en Dirk Dekker Czn (1835),
getrouwd met Cornelia Veth.
Verbetering arbeidsomstandigheden 1890-1900
In 1889 was er een arbeidswet door de regering aangenomen om:
1. jeugdige perosnen en vrouwen te beschermen tegen het 's nachts en op
zondag werken. Het maximum was verder 11 uur per dag.
2. Verbod op arbeid van kinderen onder de 12 jaar, utigezonderd in het
huishouden, persoonlijke diensten en veldarbeid.
De bedrijven moesten bij de burgemeester opgeven hoeveel mensen zij in
dienst hadden; hoeveel vrouwen en hoeveel personen onder de 18 jaar.
Lijst van kleine bedrijven
1. A. Visser Gz en G. Klootwijk, Oosteind B 19, aannemers
2. Hendrik Zwang, Oude Veer B 82, huis- en rijtuigschilder en glazen...(?)
3. Jacobus Groen, Westeind B117, idem
4. Pleun Visser, Oosteind A33, metselaar
5. Paulus Borsje, Bosch A135, timmerman
6. Cornelis Bakker, Veerstoep A157, idem
7. Adrianus Borst Gz, Oude Veer B81, idem
8. Jacob Veth Jzn, Westeind A226, ..makerij
9. Jan Veth PhJzn, Westeind A234, id
10. Jan Kreukniet, Oude Veer A172, kleedermakerij
11. Arnoldus Koorman(?), Westeind A..., schoenmakerij
12. Matthijs van Rossum, Westeind A189, Scheeps-grof- en hoefsmid
13. Arie van Aken, Oosteind B8, idem
14. Arie de Gruijter, Bosch B55, Grof-hoef en ..smid
(Lijst van kleine bedrijven)
De grotere bedrijven Papendrecht in 1890: |
Veel kwam er niet van deze wet
terecht. Wie moest de naleving controleren, de veldwachter? De mensen
waren arm en ieder die kon werken, werkte mee. Er werd een
arbeidsinspectie in het leven geroepen, zodat behalve de veldwachter er
ook een arbeidsinspecteur kwam die toezicht hield op de naleving van de
wet. Voorts werd strenger opgetreden.
Ook de scholen werden ingeschakeld in deze controle. Zij moesten ieder
jaar in januari opgeven welke kinderen onder de twaalf jaar niet op school
waren en waarom niet. In 1892 warn dat veertig kinderen. Pas rond 1900
raakte de wet een beetje ingeburgerd. (Het probleem betrof nog
voornamelijk schipperskinderen)
In dezelfde tijd was het ook droevig gesteld met het arbeidsloon voor o.a.
de grondwerkers en buitenafwerkers. Hun loon van f 5 tot f 12,- was te
weinig en in twintig jaar niet omhoog gegaan. Het centraal bestuur van het
Algemeen Ned. Werklieden Verbond schreef naar de gemeenten,
polderbesturen, hoofden van departementen en Gedeputeerden Staten met het
verzoek de lonen voor te schrijven in de voorwaarden en bestekken bij
inschrijving.
Ongevallen
Tegelijk met de toename van de industrie en het gebruik van machines nam
ook het aantal ongevallen in de bedrijven toe. Het werd voor de regering
tijd om er een wet voor aan te nemen en een veiligheidsinspectie in het
leven te roepen.
Bedrijven moesten voortaan aan bepaalde voorwaarden voldoen wat betreft
ruimte, maar ook werd naar brandveiligheid gekeken. Er kwam inspectie op
nieuw in te richten werkplaatsen en de verplichting van het melden van een
ongeval. De inspecteur controleerde hoe het ongeval was gebeurd en of
alles goed was afgehandeld, of er ondersteuning was van de werkgever, van
ziekenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Ook werd gekeken naar
de gevolgen van een ongeval.
(het ongeluk overkomen aan G.G. Buijs, ijzerwerker op de
scheepswerf A. van Duijvendijk)
De arbeidsinspectie voor Papendrecht zat in Breda. Zover ik heb kunnen
nagaan in het Gemeente-Archief van Papendrecht waren er tussen 1893 en
1899 twintig meldingen van een ongeval, voornamelijk in de scheepsbouw,
waaronder zes ongevallen bij scheepswerf Van den Adel. Scheepswerf A. van
Duyvendijk berichtte op 14 oktober 1893 een ongeval van G.J. Buijs,
ijzerwerker, en scheepmakerij W. van der Esch meldde op 15 juni 1894 een
ongeluk van pekjongen C. van der Linden.
TELEGRAAF/TELEFOON/WATERLEIDING 1890-1900
Meegaan met de tijd
inmei 1892 schreven enkele notabelen van Papendrecht aan de gemeenteraad
dat zij er allen belang bij hadden als er een telegraafkantoor zou komen.
Dit vanwege het uitoefenen van hun zaken, die door het gemis van zo'n
kantoor belemmerd werden. Zij voerden aan dat veel kleinere gemeenten al
zo'n telegraafkantoor hadden. Het oude gemeentehuis in het Westeind
dachten zij wel geschikt voor een telegraafkantoor.

Er ondertekenden 29 mensen, o.a. dr. Brandts, kandidaat-notaris Van der
Heiden, machine-fabrikant Wilton van Reede, notaris Bos, de aannemers
Mees en Mart Visser, scheepsbouwer Van Duyvendijk, basalthandel Roeloffs en graanhandelaar Van Walbeek.
Met het telegraafkantoor wilde het maar niet lukken. In 1897 vroegen
dezelfde notabelen er weer om en tevens om aansluiting van telefoon. Hun
verzoek was nu dringend, want hun zaken breidden zich uit in Papendrecht
en dat werd steeds lastiger zonder telegraafkantoor.
Dat er niet werd ingegaan op verzoeken van zakenmensen, zal niet alleen in
een dorp als Papendrecht gespeeld hebben, waar het grootste deel van de
gemeenteraad uit behoudende boeren bestond. Zeker zal het in menig dorp
langs de Merwede en elders in de Alblasserwaard/Zuid-Hollandse eilanden
invloed gehad hebben op de uitbreiding van bedrijven. Het was er mede
oorzaak van dat bedrijven uitweken naar een andere locatie.
Zomer 1897.
Papendrecht had geen waterleiding en de bevolking liep met het warme weer
in de zomertijd de kans om een besmettelijke ziekte zoals cholera op te
lopen. Dokter Brandts (huisarts) schreef in de zomer van 1897 naar de
gemeenteraad met een dringend verzoek de beide Gantels, oost en west van
de Veerdam schoon te maken omdat deze erg verontreinigd waren. En tevens
de beide Gantels weer met elkaar te verbinden, onder de Veerdam door voor
een betere doorstroom en schoner worden van het water. Dit kon met
betrekkelijk weinig kosten worden uitgevoerd. Hij maakte zich zorgen over
besmettelijke ziekten, vooral omdat veel mensen het water uit de Gantels
haalden voor dagelijks gebruik, met name de arbeiders en hun gezinnen. De
beter gesitueerden en boeren hadden een eigen pomp of bron.
In maart 1908 besloot de gemeenteraad het dorp te laten aansluiten op het
waterleidingnet van de N.V. Alblasserdamse Waterleiding. Dit was in 1905
aangelegd in eigen beheer door de architecten Visser en Smit en
uitgevoerd door de aannemers Mart en Jan Teunis Visser uit Papendrecht.
MEEGAAN MET DE TIJD
Te hoge snelheid van een motorvoertuig, 1900
De politie van Sliedrecht liet aan de burgemeester van Papendrecht het
volgende weten:
Of hij bekend was met de bestuurder van een motorrijtuig die in
Papendrecht woonde, die om half drie 's middags met hoge snelheid vanuit
Papendrecht naar Sliedrecht was gereden. In het motorrijtuig zaten een
dame een een heer die harder reden dan bij reglement op wegen en voetpaden
in deze provincie was teogelaten. Op de achterzijde van het bericht was
een volgnummer en beginletter van de eigenaar opgetekend (onleesbaar in de
brief). Aangezien het meerdere malen was gebeurd (het te hard rijden)
wilde men tegen de bestuurder een proces-verbaal opmaken. De brief was
ondertekend door de burgemeester van Sliedrecht.
Ook toen reed men al te hard en dat op een onverharde dijk, waar ook nog
velen met paard en wagen reden. Jammer genoeg weet ik niet wie de eigenaar
van de auto was of wie er in Papendrecht toen al een auto bezat.
Aanleg stoomtramlijn 1900
In 1873 was al een keer geprobeerd Papendrecht aan een spoorlijn te helpen
door particuliere aanvraag van dhr. J.M. van der Made, directeur van de
Kon. Fabriek van stoom en andere werktuigen te Amsterdam. De spoorlijn zou
gaan lopen vanaf Dordrecht via Papendrecht en Sliedrecht verder de Betuwe
in, zo schrijft dhr. Van der Made, om de Alblasserwaard uit zijn isolement
te halen. Tien jaar later werd een staatsspoor aangelegd, maar Papendrecht
werd overgeslagen.
Er kwam weer een kans op 6 oktober 1900, toen dhr. F.L. Oostenbroek uit
IJsselmonde, steenfabrikant aldaar, toestemming aan de gemeenteraad vroeg
voor het aanleggen van een stoomtramlijn vanaf Elshout - Kinderdijk -
Alblasserdam - Papendrecht - Sliedrecht - Giessendam - Hardinxveld naar
Gorkum(Gorinchem).
Dhr. Vroege, steenfabrikant te Alblasserdam, gaf reed zijn toestemming om
over zijn grondgebied te gaan. Tevens werd er om financiële steun
gevraagd van de gemeente. Burgemeester de Villaneuve van Alblasserdam liet
op 13 oktober 1900 aan de burgemeester van Papendrecht, dhr. Bonte weten,
dat er in Alblasserdam toestemming was gegeven voor de aanleg en tevens
financiële steun was toegezegd. het leek hem een goede zaak met de
betrokken burgemeesters te overleggen over de stoomtramlijn.
De stoomtramlijn ging echter niet door en het is mij onbekend waarom niet!
Nu, na honderd jaar hebben wij nog steeds in de West-Alblasserwaard geen
spoor of metro-aanlsuiting, ook al had het tien jaar terug voor de hand
gelegen bij de tunnelbouw onder de Noord bij Alblasserdam dat er een extra
ruimte zou zijn gemaakt voor een metro-aansluiting. (Weer een gemiste
kans!) |