Werd door hun grootvader Gerrit Visser
(1812-1885) en hun vaders (de Gebr. Visser) door hard werken en spaarzaam
leven het bedrijf opgebouwd, als zoons hoefden zij als derde generatie de
zaak alleen maar over te nemen. Zij hadden allen een vak geleerd:
timmerman, metselaar en enkelen leerden door in Dordrecht of Delft.
Men was intussen gewend geraakt aan een zekere welvaart en hun
betrokkenheid bij het bedrijf was misschien minder groot dan die van hun
voorouders. Eenmaal volwassen en getrouwd leefde men toch op een wat
grotere voet dan de vorige generaties.
Binnen hun bedrijven bleven zij eenzijdig in hun werk en gingen zij ook
geen nieuwe uitdagingen aan (op Visser en Smit na, die daardoor het
hoofd in de crisistijd boven water hielden).
De onderlinge band tussen de leden van de derde generatie aannemers Visser
was die van vriendschap en loyaal zijn naar elkaar. Menig werk werd in
samenwerking uitgevoerd en ook financieel was men bereid elkaar te helpen.
Toen het een na het andere bedrijf in de crisistijd ophield te bestaan,
nam Jan Teunis Visser, directeur van de N.V. Visser en Smit, indien
nodig zijn neefs(neven) en hun kinderen in dienst. Velen bleven er tot de
jaren zestig werken.
ZOONS VAN MEES VISSER GZN (aannemer Gebrs. Visser)
Teunis Johannes Visser en Adrianus Visser zetten het bedrijf van hun vader
Mees voort en gingen na 1910 ieder hun weg.
TEUNIS JOHANNES VISSER (1871-1953), timmerman/aannemer
(Teunis Johannes Visser met zijn uit Zeeland afkomstige
vrouw Maria Kole)
Teunis werkte al jong mee bij de werken van de Gebrs. Visser en trok veel
op met zijn neef Jan Teunis Visser Martzn, die even oud was. Er gaat nog
een verhaal dat zij in de strenge winter van 1890 vanuit Sluipwijk vanaf
hun werk naar huis kwamen schaatsen, allebei 19 jaar. Het was het laatste
gezamenlijke werk van de Gebrs. Visser: de bouw van een stoomgemaal in
Sluipwijk.
Na 1890 nam hij samen met zijn vader veel werk aan in Zeeland, maar zij
bouwden ook scholen, o.a. de HBS in de Oranjelaan te Dordrecht.
Op een van de werken in Zeeland leerde hij zijn vrouw kennen en in 1893
trouwde hij in Wemeldingen met Maria Kole, een rijke boerendochter,
aldaar in 1874 geboren en in 1940 te Zwijndrecht overleden. Het gezin
woonde aan het Westeind in Papendrecht, later lieten zij binnendijks een
nieuw huis bouwen in de Visschersbuurt, met aan de overkant, aan de
Gantel, de werf met opslag van bouwmaterialen. Het huwelijk liep stuk en
in 1916 scheidden zij van tafel en bed. In 1917 had Teunis een jaarinkomen
van f 2000. Tot 1920 hield hij zijn bedrijf nog draaiend, daarna verhuisde
het hele gezin naar Zwijndrecht, waar vader bij een dochter inwoonde en
moeder een paar huizen verder in dezelfde straat bij een zoon. (Geen van
de 5 zoons ging het vak in van hun vader). Nakomelingen wonen nu nog in
Zwijndrecht.
Kinderen van Teunis Johannes Visser en Maria Kole
- Leentje (1894) huwde 1914 Cornelis Troost;
- Adriana (1898) huwde 1919 Gerrit van Bennekun;
- Mees (1900) huwde E. Stoel;
- Janna Wilhelmina (1904) huwde H.J. Kaufman;
- Gerrit (1907) huwde A. Hofwegen;
- Jan (1908) huwde G. Willemstein;
- Johan Pieter (1910) huwde M. Bakker;
- Teunis Johannes (1914) huwde M. van de Wiel
ADRIANUS VISSER (1876-1940), metselaar/aannemer
Adriaan werkte eerst samen met broer Teunis Johannes in het bedrijf van
zijn vader, maar ging in 1910 zijn eigen weg. Hij trouwde in 1901 met een
meisje uit het Westeind, nl. Hermijntje Hardam (1873-1936), d.v.
Cornelis Hardam Bastiaansz (schipper) en Teuntje Naderon. Het gezin woonde
on het Westeind buitendijks naast de werf en vlak naast neef Jan Teunis
Visser Martzn met zijn aannemerij.
Adriaan ging grotere werken aannemen, vooral in Zeeland, zoals de
havensluizen en veel ander werk in Vlissingen, t.w. beschoeiingen,
kraanbanen en fabrieksbouw. Als nieuwigheid haalde Adrianus
constructiespanten uit Frankrijk en bouwde er in Papendrecht op zijn werf
een loods mee met de bedoeling een geragebedrijf voor zijn zoon Bastiaan.
Deze verongelukte echter op 26-jarige leeftijd bij een proefrit op een
motorfiets op de dijk.
Het metselwerk werd uitgevoerd door neef Mees Visser Pleunzn. Later werd
de loods een biljartzaal; in de volksmond de Blauwe Zaal genoemd en
Adrianus kreeg dan ook de bijnaam Janus van de Blauwe Zaal. Hij deed veel
voor het sociale leven in Papendrecht. Zo was hij sponsor van de in1920
opgerichte muziekvereniging Excelsior en betaalde hij de
muziekinstrumenten en uniformen. Ook voor de ijsclub betaalde hij feesten,
evenals feesten op Koninginnedag.
(In de Blauwe Zaal (1922).
Achter v.l.n.r.: Gerrit Visser Adrz (1910), Gijs Hardam, Adrianus Visser
Meesz (1876), Hermijntje Visser-Hardam, Pieter Visser Adrz (1908),
Adrianus Visser Adrz (1907), Mees Visser Pleinz (neef van Adr. Visser),
Bastiaan Visser Adrz (1906), met motorfiets verongelukt.
Vooraan v.l.n.r.: Gijs Visser Adrz (1916), Pleun Visser Meesz en Arie
Visser Meesz.)
Hij had een echt en gezellig gezin en als hij voor een uitvoering te lang
van huis was, voer Hermijntje met haar man in een ark mee naar het werk.
Maar ook voor het bedrijf van Adrianus woog de crisis zwaar en hij moest
met zijn bedrijf stoppen. Hij, met al zijn kennis, kon toen bij Visser
en Smit komen werken, waar zijn zwagers Hardam ook al in dienst
waren. Hij verkoos het echter om bij heibedrijf Guis in Rotterdam te gaan
werken en ging daar ook wonen.
Twee zoons, Cornelis en Pieter, emigreerden in 1948 naar Zuid-Afrika. Geen
van zijn zoons ging in het vak van hun vader. Nakomelingen wonen behalve
in Nederland nog in Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland.
Kinderen van Adrianus Visser en Hermijntje Hardam:
- Cornelis (1901) huwde 1923 Abramina Bouwmeester (naar Zuid-Afrika);
- Leentje (1903) huwde 1927 Albert A. Bergshoef (aannemer te Rotterdam);
- Johannes Teunis (1904) huwde 1929 C. van der Grijp (naar Vlissingen),
hoofd tekenkamer scheepswerf De Schelde;
- Bastiaan (1906) huwde 1925 Neeltje Veth (Papendrecht);
- Adrianus (1907) huwde 1939 Jannie van der Esch (naar Tilburg);
- Pieter (1908) huwde 1935 Martijntje van Gils (naar Zuid-Afrika);
- Gerrit (1910) huwde 1931 Geertje Lagendijk (naar Monster), chef
werkplaats Fokker;
- Gijsbert (1916) huwde E. Goethem (naar Grave);

(V.l.n.r.: Gijs Hardam, Hermijntje Visser-Hardam en haar
man Adrianus Visser Mz, de aannemer op de ark die zij huurden om naar een
afgelegen werk te gaan (ca 1930)) |

(bron: NRC 10 december 1925; www.kb.nl/kranten)
HENDRIK VAN ESSEN, Makelaar in Machinerieen en Metalen te
AMSTERDAM, zal op Woensdag 16 December 1925, des voormiddags 10
uur precies, in het Cafe N.A.B. Steegoversloot te Dordrecht ten
verzoeken van de firma A. VISSER Mzn en M.
VISSER in liquidatie te Papendrecht, ten overstaan van der
Notaris B. KUIPERS publiek verkoopen: de AANNEMERSMATERIALEN,
MACHINERIEEN, GEREEDSCHAPPEN enz, van bovengenoemde
firma.
Hierbij komen voor: |
- Stoomheimachines
fabr. Marshall, Son & Co en Hasselman,
- Straatlocomotief fabr. J. & H. McLaren met wissels
- Kipkarren 3/4 m3,
- lorries,
- petroleum- en benzine motoren 5-16 pk
- stoompompen
- diaphragmapompen;
- balkenschaar;
- boormachine
- koudijzerzaagmachine
- handlieren
- dommekrachten
- vijzel |
- schroeftakel 10 ton
- kettingen
- tuien
- stroppen
- heireepen
- touwen
- loopers
- meertouwen
- bascules
- kruiwagens
- rijplaten
- damwand
- baddings en enz |
Bovendien:
een stalen Heibak met hijschinrichting, 1 houten heibak, 1
roeiaak, stalen en houten roeibooten en 1 vrachtautomobiel
Mannesmann Mulag 5 ton.
Alsmede: Een verplaatsbare houten Directiekeet lang 5 M, breed 3
m, hoog in de nok 3.35 m met 2 slaapplaatsen.
Tot amotie: een houten loods, gedekt met pannen, lang 12 m,
breed 5 m voor hoog 5 m en achter hoog 3.50 m met één
verdieping, afdak lang 15 m breed 3.70 m.
De goederen zijn te bezichtigen op Maandag 14 en Dinsdag 15 Dec.
1915, telkens van 10 tot 4 uur, en des morgens voor de veiling van
8-9 1/2 uur aan de opslagplaats te Papendrecht, Westeinde E no.
7, en verder ter plaatse zooals in den catalogus is
aangegeven.
Uitgebreide catalogus wordt op aanvraag toegezonden door dne
Makelaar H. van Essen, De Wittenstraat 176 te Amsterdam. Telefoon
Interc. 44275. |
|